Recensie

Programma:

Quatre Motets pour un Temps de Pénitence Francis Poulenc (1899-1963)
-	Timor et tremor
-	Vinea mea electa
-	Tenebrae factae sunt
-	Tristis est anima mea
Chceme my se chceme
Jak je mne
Daj mi Bože
Hej! Máme na prodej
(uit: Tsjechische Madrigalen)
Bohuslav Martinu (1899-1959)
Um Mitternacht
Nimmersatte Liebe
Lied vom Winde
Lebewohl
Jung Volker (Gesang der Räuber)
Der Feuerreiter
(uit: Mörike-Chorliederbuch)
Hugo Distler (1908-1942)
pauze
Quatrains Valaisans (Rainer Maria Rilke) Darius Milhaud (1892-1974)
-	Pays, arręté ŕ mi-chemin
-	Rose de lumičre
-	L’Année tourne
-	Chemins qui ne mčnent nulle part
-	Beau papillon
A.M.D.G. (Gerard Manley Hopkins) Benjamin Britten (1913-1976)
-	O Deus, ego amo te
-	The Soldier
-	Prayer II
-	Rosa Mystica
-	Heaven-Haven
-	God’s Grandeur
-	Prayer I

Francis Poulenc (1899-1963)
Quatre Motets pour un Temps de Pénitence

Een sombere dreiging gaat uit van de Quatre Motets pour un Temps de Pénitence, die Francis Poulenc (1899-1963) in januari 1939 voltooide. Poulenc verliet gedurende de tweede wereldoorlog zijn luchtige, bij de Groupe des Six passende neoclassicistische stijl en de motetten uit 1939 lijken daar een voorbode van te zijn. Drie van de vier teksten zijn responsoria uit de donkere metten, het eerste motet gebruikt een tekst die een compilatie is van verzen uit psalm 54 en 30 en die eveneens thuishoort in getijdengebeden van de Goede Week. Poulenc benadert de teksten bijna literair en legt de nadruk op de gevoelens die de teksten oproepen. Hoewel hij menig concertreis gemaakt heeft, heeft Poulenc zijn hele leven in Parijs gewerkt en gewoond. Ook tijdens de oorlogsjaren verbleef hij daar en schreef in die tijd onder andere ter ere van het Verzet Figure Humaine op tekst van zijn vriend Paul Éluard. (januari 1939)

Timor et tremor

Timor en tremor venerunt super me
Et calligo cecidit super me.
Miserere mei domine.
Quoniam in te confidit anima mea.
Vrees en beven zijn over mij gekomen
en duisternis omringt mij.
Heb medelijden met mij Heer,
want aan u vertrouw ik mijn ziel toe.
Exaudi Deus deprecationem meam.
Quia refugium meum es tu,
et adjutor fortis.
Domine invocavi te,
non confundar.
Heer, luister naar mijn gebed
want gij zijt mijn toevlucht
en mijn almachtige hulp.
Heer, ik heb u aangeroepen
en zal niet worden beschaamd.

 

Vinea mea electa

Vinea mea electa,
ego te plantavi:
quomodo conversa est
in amaritudinem,
ut me crucifigeres
et Barrabam dimitteres.
O mijn uitverkoren wijngaard,
ik heb u geplant:
hoezeer zijt gij veranderd
in bitterheid,
dat gij mij kruisigt
en Barrabas vrijlaat.
Sepivi te,
et lapides elegi ex te
et aedificavi turrim.
Ik heb u met een haag omringd
heb u vrijgemaakt van stenen
en heb een toren gebouwd.

 

Tenebrae factae sunt

Tenebrae factae sunt
dum crucifixissent Jesum Judaei.
Et circa horam nonam
exclamavit Jesus voce magna:
Deus meus, ut quid me dereliquisti?
Duisternis kwam over het land
toen de Joden Jezus kruisigden.
En tegen het negende uur
riep Jezus met luide stem:
Mijn God, waarom hebt gij mij verlaten?
Et inclinato capite
emisit spiritum.
Exclamans Jesus voce magna ait:
Pater, pater in manus tuas
commendo spiritum meum.
En hij boog het hoofd
en gaf de geest.
Jezus riep met luide stem:
Vader, in uw handen
beveel ik mijn geest.

 

Tristis est anima mea

Tristis est anima mea
usque ad mortem.
Sustinete hic,
et vigilate mecum,
nunc videbitis turbam
quae circumdabit me.
Mijn ziel is bedroefd
tot stervens toe.
Blijft hier
en waakt met mij.
Weldra zult ge de menigte zien
die mij zal omsingelen.
Vos fugam capietis,
et ego vadam immolari pro vobis.
Ecce, appropinquat hora
et filius hominis tradetur
in manus peccatorum.
U zult vluchten
en ik zal mij voor u opofferen.
Zie, het uur is gekomen
dat de Mensenzoon wordt overgeleverd
in de handen van zondaars.

Bohuslav Martinu (1899-1959)
uit: Tsjechische Madrigalen

Eveneens in juli 1939 schreef Bohuslav Martinu (1890-1959) zijn Tsjechische Madrigalen. Martinu’s keuze voor de volksachtige teksten moet welhaast ingegeven zijn door de grote zorg over de toekomst van zijn vaderland. Maar de volksmuziekinvloed geeft een tamelijk luchtige sfeer aan deze compositie. Somberheid klinkt veel meer door in een andere compositie van Martinu uit 1939, de Soldatenmis voor bariton, mannenkoor en blazers. Martinu had in 1924 zijn vaderland verlaten om in Parijs bij Roussel verder te gaan studeren. Langzaam maar zeker werd hij ook in Frankrijk steeds meer erkend en hij burgerde helemaal in in het Parijse muziekleven; in 1931 huwde hij ook een Parisienne. Samen moesten zij in 1940 naar de Verenigde Staten vluchten. Na de oorlog doceerde Martinu nog twee jaar in Praag, maar de politieke situatie deed hem opnieuw naar de Verenigde Staten vertrekken. (juli 1939)

 

Chceme my se chceme

Chceme my se chceme ale potajemne,
Neznaj se devcico, mezi ludma ke mne.
Jak se nemám znáti, dyž to ludé ved’á
Dyž tve modré oci dycky po mne hled’á.
Našel sem oríšek mezi vinohrady.
We houden van elkaar, maar in het geheim,
liefste, laat de mensen niet zien dat je van mij
bent.
Hoe kan ik dat niet laten zien, als de mensen weten dat jouw blauwe ogen mij altijd zoeken.
Ik vond een nootje in de wijngaard.
Povez mne má milá mámeli my se rádi!
My se rádi máme, ale potajemne,
Nehlas se má milá, mezi ludma ke mne.
Šak já sa nehlásím, ani neraduju,
Ví Pán Buh nebeský, cí já žena budu?
Zeg me, liefste, of wij van elkaar houden!
We houden van elkaar, maar in het geheim,
mijn liefste, zeg niet tegen de mensen dat je van mij bent.
Ik zeg het niet, en ben niet gelukkig,
weet God in de hemel wiens vrouw ik zal zijn?

 

Jak je mne

Jak je mne, tak je mne, šak mne dobre není.
Moje potešení krácí v Štyrské zemi.
Placte, ocí, placte, enom nezlykajte,
Ceho ste navykly, toho odvykajte.
A vy ste navykly s panenkou si hrávat,
a vcil je vám težko toho odvykávat.
Ik voel wat ik voel, maar voel me niet goed.
Mijn liefste wandelt in Stiermarken.
Huil, mijn ogen, maar houd nog tranen over,
leg jullie je er bij neer dat ze weg is.
Maar jullie speelden altijd met een pop,
en het valt jullie zwaar dat op te geven.
Jak je mne, tak je mne, šak mne dobre není.
Moje potešení krácí v Štyrské zemi.
Krácí v Štyrské zemi, k matince celenský.
Ach Bože, Rozbože, dej jí navrácení.
Dej jí navrácení šcastlivého domu,
a dyž príde domu, sejdeme se spolu.
Ik voel wat ik voel, maar voel me niet goed.
Mijn liefste wandelt in Stiermarken.
Ze wandelt in Stiermarken, naar haar moeder in Mariazell.
O God, lieve God, zorg dat ze terugkomt.
Laat haar terugkomen naar een gelukkig huis, en als ze thuis komt, zien wij elkaar weer.

 

Daj mi Bože

Daj mi Bože vedet’
s kým já budu sedet’
za stolem cerveným,
pod kvítkem zeleným!
Ac
h Bože, Prebože,
co sem udelala,
že sem pro jednoho
všeckých opustila?
God, vertel me
met wie ik zal zitten
aan de rode tafel,
onder het groene lover!
O God, goede God,
wat heb ik gedaan,
dat ik iedereen heb verlaten
voor één jongen?
Opustila sem já
sokola pro páva,
vcil bych ho šla hledat,
nevím kde sedává.
Sedává on v lesi,
nebo v cirém poli,
šla bych já ho hledat,
hlavenka mia bolí!
Ej, poslala bych pronho
tu malú vcelicku,
ona se mne staví
na bílém kvetecku!
Poslala bych pronho
vtácka jerábího,
on by se mne stavil
u kra zeleného!
Hlavicko, hlavo má,
ej, co mia tolej bolíš.
Ani neodpadáš,
ani sa nehojíš.
Hlavicko, hlavo má,
Už mia tolej nebol.
Radši mne odpadni,
lebo se mi zahoj!
Ik heb een valk
verlaten voor een pauw,
Ik zou hem gaan zoeken,
maar weet niet waar hij zit.
Zit hij in het bos,
of in het open veld,
ik zou hem gaan zoeken,
mijn hoofdje doet zo’n pijn!
Ach, ik zou dat kleine bijtje
sturen om hem te zoeken,
het komt bij me zitten
op een wit bloempje!
Ik zou een kraanvogel
sturen om hem te zoeken,
die zou bij me komen zitten
op een groene struik!
Hoofdje, mijn hoofd,
ach, waarom doe je zo’n pijn.
je valt er niet af,
maar wordt ook niet beter.
Hoofdje, mijn hoofd,
doe toch niet zo’n pijn.
Val er dan maar af,
of zorg dat je beter wordt!

 

Hej! Máme na prodej

Hej! Máme na prodej.
Máme tady dobré zboží,
Co se na nem hezky leží!
Periny, periny, mý milý periny,
Už my vás vezeme do cizí dediny.
Hé! We hebben spullen te koop.
We hebben hier hele mooie waar,
waar je lekker op kunt liggen!
Donzen bedden, mijn lieve donzen bedden,
we nemen jullie mee naar een ander dorp.
Nejednó mamenka, nejednó zdrímala,
Než ona cérušce periny schystala,
Nejednó tatícek, nejednó posvítil,
Aby své cérušce periny nalícil.
Menig moeder is erop in slaap gevallen,
voordat ze het donzen bed voor haar dochter klaarmaakte,
menig vader is ’s nachts op weg gegaan,
om donzen bedden voor zijn dochtertje te halen.

(vertaling Ton Stauttener)

 


Hugo Distler (1908-1942)
uit: Mörike-Chorliederbuch

Hugo Distler (1908-1942) bevrijdt zich tijdelijk uit het keurslijf van de kerkmuziek om zich, in navolging van Hugo Wolf, te wijden aan de toonzetting van een groot aantal gedichten van de 19e-eeuwse dominee-dichter Eduard Mörike. Wat Distler zo aantrekkelijk vond aan Mörike is dat deze vaak schrijft in de traditie van het Duitse volkslied, met veel ritmiek, en dat deze een relativerende, soms bijna ironische manier van denken aan de dag legt. Distler schreef het Mörike-Chorliederbuch toen hij leraar was aan het conservatorium van Stuttgart, de grootste stad in de streek waar Mörike leefde en werkte. Door een onbekende hoge functionaris in de partij werd voorkomen dat Distler onder de wapenen werd geroepen. Toen dat in 1942 toch dreigde te gebeuren, sloeg Distler de hand aan zichzelf. (juni 1939)

 

 

Um Mitternacht

Gelassen stieg die Nacht an's Land,
Lehnt träumend an der Berge Wand,
Ihr Auge sieht die goldne Wage nun
Der Zeit in gleichen Schalen stille ruhn;
Und kecker rauschen die Quellen hervor,
Sie singen der Mutter, der Nacht, in's Ohr
Vom Tage, vom heute gewesenen Tage.
Kalm kwam de nacht over ‘t land,
Leunde dromend tegen de bergwand,
Haar oog ziet nu de gulden weegschaal
Van de tijd stil in rust staan;
En vermetel komen de bronnen tevoorschijn,
Ze zingen de moeder, de nacht, toe
Over de dag, de dag die vandaag geweest is.
Das uralt alte Schlummerlied,
Sie achtet's nicht, sie ist es müd';
Ihr klingt des Himmels Bläue süßer noch,
Der flüchtgen Stunden gleichgeschwung'nes Joch.
Doch immer behalten die Quellen das Wort,
Es singen die Wasser im Schlafe noch fort
Vom Tage, vom heute gewesenen Tage.
Het oeroude oude slaapliedje,
Ze slaat er geen acht op, ze is het zat;
Voor haar klinkt het blauw van de hemel nog zoeter, het in evenwicht geschommelde juk van de vluchtige uren.
Maar altijd blijven de bronnen aan het woord, de wateren zingen in hun slaap nog verder
Over de dag, de dag die vandaag geweest is.

 

Nimmersatte Liebe

So ist die Lieb'! So ist die Lieb'!Mit Küßen nicht zu stillen:
Wer ist der Tor und will ein Sieb
Mit eitel Wasser füllen?
Und schöpfst du an die tausend Jahr;
Und küßest ewig, ewig gar,
Du tust ihr nie zu Willen.
Zo is de liefde! Zo is de liefde!Met kussen niet te stillen:
Wie is die dwaas die een zeef
met enkel water wil vullen?
Al schep je welhaast duizend jaar;
en kus je zelfs eeuwig,
Je bent haar nooit genoeg ter wille.
Die Lieb', die Lieb' hat alle Stund'Neu wunderlich Gelüsten;
Wir bißen uns die Lippen wund,
Da wir uns heute küßten.
Das Mädchen hielt in guter Ruh',
Wie's Lämmlein unter'm Messer;
Ihr Auge bat: nur immer zu,
Je weher desto beßer!
De liefde heeft elk uur
nieuwe wonderlijke begeerten;We beten elkaar de lippen stuk,
toen we elkaar vandaag kusten.
Het meisje hield zich rustig
als een lammetje onder het mes;
Haar oog smeekte: ga zo maar door,
hoe pijnlijker des te beter!
So ist die Lieb', und war auch so,Wie lang es Liebe giebt,
Und anders war Herr Salomo,
Der Weise, nicht verliebt.
Zo is de liefde, en was al zo,
zolang de liefde bestaat.
En op een andere manier was zelfs Heer Salomon, de wijze, niet verliefd.

 

Lied vom Winde

Sausewind, Brausewind!Dort und hier!
Deine Heimat sage mir!
Suiswind, bruiswind!Hier en daar!
Zeg me waar je vandaan komt!
"Kindlein, wir fahrenseit viel vielen Jahren
durch die weit weite Welt,
und möchten's erfragen,
die Antwort erjagen,
bei den Bergen, den Meeren,
bei des Himmels klingenden Heeren,
die wissen es nie.
Bist du klüger als sie,
Magst du es sagen.
Fort, wohlauf!
Halt' uns nicht auf!
Kommen andre nach, unsre Brüder,
Da frag' wieder."
"Kindje, we reizen
sinds vele, vele jaren
de wijde, wijde wereld door
en willen het door vragen te weten komen,het antwoord bemachtigen,
bij de bergen, de zeeën
bij de klinkende heerscharen van de hemel,
die weten het nooit.
Als je wijzer bent dan zij,
Mag je het zeggen.
Welaan, op pad!
Houdt ons niet op!
En komen anderen ons achterna, onze broeders, vraag het hun dan maar."
Halt' an! Gemach,Eine kleine Frist!
Sagt, wo der Liebe Heimat ist,
Ihr Anfang, ihr Ende?
Wacht! Kalm aan,Een momentje!
Zeg me, waar komt de liefde vandaan,
Wat is haar oorsprong, wat haar eind?
"Wer's nennen könnte! Schelmisches Kind,
Lieb' ist wie Wind,
Rasch und lebendig,
Ruhet nie,
Ewig ist sie,
Aber nicht immer beständig.
Fort! Wohlauf!
Halt' uns nicht auf!
Fort über Stoppel und Wälder und Wiesen!
Wenn ich dein Schätzchen seh',
Will ich es grüßen.
Kindlein, Ade!"
"Wie zal het zeggen? Ondeugend kind,
De liefde is als de wind,
gezwind en opgewekt,
Ze rust nooit,
is eeuwig,
maar niet altijd bestendig.
Welaan, op pad!
Houdt ons niet op! Verder
over stoppelvelden en bossen en weiden!
En mocht ik je liefje zien,
zal ik hem groeten.
Kindje, vaarwel!"

 
 

Lebewohl

Lebe wohl! - Du fühlest nicht,Was es heißt, dies Wort der Schmerzen;
Mit getrostem Angesicht
Sagtest du's und leichtem Herzen.
Vaarwel! – Jij voelt niet,
wat het betekent, dit woord van pijn;Je zei het met een gelaat vol vertouwen
en met een onbekommerd hart.
Lebe wohl! - Ach! tausendmalHab' ich mir es vorgesprochen,
Und in nimmersatter Qual
Mir das Herz damit gebrochen!
Vaarwel! – Ach! Wel duizendmaal
heb ik het voor mezelf hardop gezegd,
en in een onverzadigbare kwelling
heb ik mijn hart ermee gebroken!

 
Jung Volker (Gesang der Räuber)

Jung Volker, das ist unser Räuberhauptmann,Mit Fiedel und mit Flinte,
Damit er geigen und schießen kann,
Nach dem just Wetter und Winde.
Fiedel und die Flint,
Fiedel und die Flint!
Volker spielt auf.
De jonge Volker, dat is onze roverhoofdman,
met viool en geweer,
zodat hij kan viool spelen en schieten,
naast hem enkel weer en wind.Viool en geweer,
Viool en geweer!
Volker treedt op.
Ich sah ihn hoch im SonnenscheinAuf einem Hügel sitzen:
Da spielt er die Geig und schluckt roten Wein,
Seine blauen Augen ihm blitzen.
Fiedel und die Flint,
Fiedel und die Flint!
Volker spielt auf.
Ik zag hem hoog in ‘t zonnetje
op een heuvel zitten:Daar speelt hij viool en drinkt rode wijn
en zijn blauwe ogen fonkelen.
Viool en geweer,
Viool en geweer!
Volker treedt op.
Auf einmal, er schleudert die Geig in die Luft,Auf einmal, er wirft sich zu Pferde:
Der Feind kommt!
Da stößt er ins Pfeifchen und ruft.
»Brecht ein, wie der Wolf in die Herde!«
Fiedel und die Flint,
Fiedel und die Flint!
Volker spielt auf.
Opeens gooit hij zijn viool in de lucht,
opeens springt hij op z’n paard:De vijand komt!
Daar blaast hij op een fluitje en roept "Valt aan, zoals een wolf zich op een kudde stort!"
Viool en geweer,
Viool en geweer!
Volker treedt op.

 
Der Feuerreiter

Sehet ihr am FensterleinDort die rote Mütze wieder?
Nicht geheuer muß es sein,
Denn er geht schon auf und nieder.
Und auf einmal welch Gewühle
Bei der Brücke nach dem Feld!
Horch! das Feuerglöcklein gellt:
Hinterm Berg,
Hinterm Berg
Brennt es in der Mühle!
Zien jullie daar aan het raam
de rode kap weer verschijnen?Dat kan niet pluis zijn,
want hij gaat al op en neer.
En opeens wat een tumult
daar bij de brug naar het veld!
Hoort! De kleine brandklok luidt schel:
Achter de berg,
achter de berg
is er brand in de molen!
Schaut, da sprengt er wütend schierDurch das Tor, der Feuerreiter,
Auf dem rippendürren Tier,
Als auf einer Feuerleiter!
Querfeldein, durch Qualm und Schwüle,
Rennt er schon und ist am Ort!
Drüben schallt es fort und fort:
Hinterm Berg,
Hinterm Berg
Brennt es in der Mühle!
Kijk, daar galoppeert hij welhaast woedend
door de poort, de brandruiter,
op het dier, mager tot op het bot,als op een brandladder!
Hij draaft al dwars door het veld, door dampen en hitte en is al ter plaatse!
Ginds klinkt het aan één stuk door:
Achter de berg,
achter de berg
is er brand in de molen!
Der so oft den roten HahnMeilenweit von fern gerochen,
Mit des heil'gen Kreuzes Span
Freventlich die Glut besprochen -
Weh! dir grinst vom Dachgestühle
Dort der Feind im Höllenschein.
Gnade Gott der Seele dein!
Hinterm Berg,
Hinterm Berg,
Rast er in der Mühle!
Hij die zo vaak de rode haan
van mijlenver geroken heeft,Die goddeloos met een splinter van ‘t Heilige Kruis de vuurgloed heeft besproken –
Wee! Daar van de dakstoel grijnst de vijand in het Hellevuur jou toe.
Moge God je ziel genadig zijn!
Achter de berg,
achter de berg
gaat hij tekeer in de molen!
Keine Stunde hielt es an,Bis die Mühle borst in Trümmer;
Doch den kecken Reitersmann
Sah man von der Stunde nimmer.
Volk und Wagen im Gewühle
Kehren heim von all dem Graus;
Auch das Glöcklein klinget aus:
Hinterm Berg,
Hinterm Berg,
Brennt's! –
Nog geen uur duurde het
tot de molen in puin viel;Maar de dappere ruiter heeft men sindsdien niet meer teruggezien.
In gedrang keren mensen en wagens
terug van alle verschrikkingen;
Ook het geluid van de brandklok sterft weg:
Achter de berg,
achter de berg
brand! –
Nach der Zeit ein Müller fandEin Gerippe samt der Mützen
Aufrecht an der Kellerwand
Auf der beinern Mähre sitzen:
Feuerreiter, wie so kühle
Reitest du in deinem Grab!
Husch! da fällt's in Asche ab.
Ruhe wohl,
Ruhe wohl
Drunten in der Mühle!
Na die tijd vond een molenaar
een geraamte met zijn kap
rechtop tegen de keldermuur
zittend op een oude benen knol:Brandruiter, hoe koud
rijd jij in je graf!
Whoesj! Daar valt het in as uiteen.
Rust zacht,
rust zacht
Daarginder in de molen!

(vertaling Andreas Polman en Nico van der Meel)

 
 

 

 


pauze

 


Darius Milhaud (1892-1974)

Quatrains Valaisans (Rainer Maria Rilke)

De luchtige, bijna volksmuziekachtige toon van Quatrains Valaisans van Darius Milhaud (1892-1974) op teksten van de sterk internationaal gerichte dichter Rainer Maria Rilke steekt scherp af bij de muziek van Poulenc. Het heeft allemaal iets van "dansen op de vulkaan…". Milhaud was tijdens het interbellum de invloedrijkste componist in Frankrijk; hij werd vooral bekend door zijn balletten en andere orkestwerken. De Quatrains Valaisans werden geschreven in juli 1939. Pas begin 1940 zou Milhaud zijn meer geëngageerde Cantate de la Guerre en Cantate de la Paix schrijven op tekst van zijn vriend Paul Claudel. De tweede wereldoorlog dwong Milhaud naar de Verenigde Staten te vertrekken. Vanaf 1947 verdeelde hij zijn tijd weer tussen Parijs en Amerika. Overigens schreef ook Paul Hindemith in 1939 een beroemde cyclus koorliederen op teksten van Rilke, namelijk zijn Six Chansons. (20/21 juli 1939)

 

 

Pays, arręté ŕ mi-chemin

Pays, arręté ŕ mi-chemin
Entre la terre et les cieux,
Aux voies d’eau et d’airain,
Doux et dur, jeune et vieux,
Land, halverwege gelegen
tussen de aarde en de hemelen,
met wegen van water en brons,
zacht en hard, jong en oud,
Comme une offrande levée
Vers d’accueillantes mains,
Beau pays achevé,
Chaud comme le pain!
als een opgeheven gave
naar verwelkomende handen:
mooi, onberispelijk land,
warm als het brood!

 

Rose de lumičre

Rose de lumičre, Un mur qui s’effrite.
Mais sur la pente de la colline
cette fleur(*) qui, haute, hésite
dans son geste de Proserpine
Roos van licht, een muur die verbrokkelt,
maar op de glooiing van de heuvel,
deze bloem(*), die, hooggelegen, aarzelt
richting Proserpina.
Beaucoup d’ombre entre sans doute
dans la sčve de cette vigne:
et ce trop de clarté qui trépigne
audessus d’elle, trompe la route.
Veel schaduw dringt ongetwijfeld binnen
in het sap van de wijnstok:
en dit teveel aan licht, dat op haar neersijpelt,
maakt de weg bedrieglijk.
*Milhaud: fęlure * Milhaud: scheur

 

L’Année tourne

L’année tourne au tour du pivot
de la constance paysanne;
La Vierge et Sainte Anne
disent chacune leur mot.
Het jaar draait om zijn spil
met een boerse standvastigheid;
De Maagd en de Heilige Anna
spreken elk hun woord.
D’autres paroles s’ajoutent
plus anciennes encor,
elles bénissent toutes
et de la terre sort
Andere woorden voegen zich
bij nog oudere,
zij allen zegenen
en uit het land komt
Cette verdure soumise
qui par un long effort,
donne la grappe prise
entre nous et les morts.
het gewillige groen tevoorschijn,
dat, na een langdurige inspanning,
de tros voortbrengt die wortel geschoten heeft
tussen ons en de doden.

 

Chemins qui ne mčnent nulle part

Chemins qui ne mčnent nulle part
entre deux prés,
que l’on dirait avec art
de leur but détournés
Wegen die nergens naar toe leiden
tussen twee weiden,
waarvan men op geschikte wijze zou kunnen zeggen, met een vreemd doel,
Qui souvent n’ont devant
eux rien d’autre en face
que le pur espace
et la saison.
wegen, die vaak slechts
pure ruimte
en het seizoen
voor ogen hebben.

 

Beau papillon

Beau papillon prčs du sol
ŕ l’attentive nature
montrant les enluminures
de son livre de vol.
Mooie vlinder dicht bij de aarde
met een oplettende natuur
die ons de verluchtingen toont
van zijn vluchtboek.
Un autre se ferme au bord
de la fleur q’on respire:
Ce n’est pas le moment de lire
et tant d’autres encor,
Een andere sluit zich
op de bloem die we ademen:
dit is niet het moment om te lezen.
En nog zovele andere
De menus bleus s’éparpillent,
flottants en voletants
Comme de bleues brindilles
d’une lettre d’amour au vent
kleine blauwtjes verspreiden zich,
drijvend en fladderend
gelijk blauwe twijgjes
van een liefdesbrief in de wind,
d’une lettre déchirée
q’on était en train de faire
pendant que la destinataire
hésitait ŕ l’entrée.
van een verscheurde brief
welke men bezig was te maken,
terwijl de ontvanger
twijfelt bij de entree.

(vertaling Hans Leenders)

 


Benjamin Britten (1913-1976)

A.M.D.G. (Gerard Manley Hopkins)

Ook Benjamin Britten (1913-1976) kiest voor een 19e-eeuwse dichter, hier de anglicaans opgevoede, maar tot het katholicisme bekeerde jezuďet Gerard Manley Hopkins. Manley’s teksten zijn doortrokken van zware persoonlijke religiositeit en van besef van onvolkomenheid tegenover God. De titel van de cyclus verwijst naar Ad majorem Dei gloriam, het motto van de orde van de jezuďeten. In 1939 ondernam Britten een grote concertreis naar Canada en de Verenigde Staten en tijdens deze reis werkte hij in augustus aan schetsen van A.M.D.G. Het was bedoeld om na terugkomst in Londen door Peter Pears en zijn Round Table Singers uitgevoerd te worden. Maar het uitbreken van de oorlog verhinderde de terugreis naar Londen en Britten trok het werk uiteindelijk, net als een werk dat hij in Canada had geschreven, om onbekende reden terug. Van vier delen van de zeven bestaat een manuscript van een meer uitgewerkte versie, drie bestaan er slechts in schets. Een nieuw uitgewerkte versie werd pas in 1984 voor het eerst volledig uitgevoerd en nog steeds behoort A.M.D.G. tot het onbekendere werk van Britten. De volgorde van de delen staat uiteraard niet vast. Britten kreeg overigens pas in 1942 de kans terug te keren naar Engeland, waar hij zich tijdens de oorlogsjaren grotendeels terugtrok uit het openbare leven en zich geheel wijdde aan het componeren. Ter nagedachtenis van de gruwelen van de tweede wereldoorlog schreef hij zijn War Requiem. (5-15 augustus 1939)

O Deus, ego amo te

O God, I love Thee, I love Thee -
Not out of hope of heaven for me
Nor fearing not to love and be
In the everlasting burning.
Thou, Thou, my Jesus, after me
Didst reach Thine arms out dying,
For my sake suffer’dst nails and lance,
Mocked and marred countenance,
Sorrows passing number,
Sweat and care and cumber,
Yea and death, and this for me,
And Thou couldst see me sinning;
Then I, why should not I love Thee,
Jesus, so much in love with me?
Not for heaven’s sake; not to be
Out of hell by loving Thee;
Not for any gains I see;
But just the way that Thou didst me
I do love and I will love Thee;
What must I love Thee, Lord, for then?
For being my king and God. Amen.

 
The Soldier

YES. Why do we all, seeing of a soldier, bless him? bless Our redcoats, our tars? Both these being, the greater part,
But frail clay, nay but foul clay. Here it is: the heart,
Since, proud, it calls the calling manly, gives a guess
That, hopes that, makesbelieve, the men must be no less;
It fancies, feigns, deems, dears the artist after his art;
And fain will find as sterling all as all is smart,
And scarlet wear the spirit of war there express.
Mark Christ our King. He knows war, served this soldiering through; He of all can handle a rope best. There he bides in bliss
Now, and seeing somewhere some man do all that man can do,
For love he leans forth, needs his neck must fall on, kiss,
And cry ‘O Christ-done deed! So God-made-flesh does too:
Were I come o’er again’ cries Christ ‘it should be this’.

 
 
Prayer II

THEE, God, I come from, to thee go, All day long I like a fountain flow
From thy hand out, swayed about
Mote-like in thy mighty glow.
What I know of thee I bless,As acknowledging thy stress
On my being and as seeing
Something of thy holiness.
Once I turned from thee and hid, Bound on what thou hadst forbid;
Sow the wind I would; I sinned:
I repent of what I did.
Bad I am, but yet thy child. Father, be thou reconciled.
Spare thou me, since I see
With thy might that thou art mild.
I have life before me still And thy purpose to fulfill;
Yea a debt to pay thee yet:
Help me, sir, and so I will.

 
Rosa Mystica

‘The Rose in a mystery’ - where is it found?Is it anything true? Does it grow on the ground?
It was made of the earth’s mould, but it went from men’s eyes,
And its place is a secret, and shut in the skies.
In the Gardens of God, in the daylight divine
Find me a place by thee, Mother of mine.
But where was it formerly? Which is the spot
That was blest in it once, though now it is not?
It is Galilee’s growth; it grew at God’s will
And broke into bloom upon Nazareth Hill.
In the Gardens of God, in the daylight divine
I shall look on thy loveliness, Mother of mine.
What was its season, then? How long ago?
When was the summer that saw the Bud blow?
Two thousands of years are near upon past
Since its birth, and its bloom, and its breathing its last.
I shall keep time with thee, Mother of mine.
Tell me the name now, tell me its name:
The heart guesses easily, is it the same?
Mary, the Virgin, well the heart knows,
She is the Mystery, she is that Rose.
In the Gardens of God, in the daylight divine
I shall come home to thee, Mother of mine.
Is Mary that Rose, then? Mary, the tree?
But the Blossom, the Blossom there, who can it be?
Who can her Rose be? It could be but One:
Christ Jesus, our Lord – her God and her Son.
In the Gardens of God, in the daylight divine
Shew me thy son, Mother, Mother of mine.
What was the colour of that Blossom bright?
White to begin with, immaculate white.
But what a wild flush on the flakes of it stood,
When the Rose ran in crimsonings down the Cross-wood.
In the Gardens of God, in the daylight divine
I shall worship the Wounds with thee, Mother of mine.
How many leaves had it? Five they were then,
Five like the senses, and members of men;
Five is the number by nature, but now
They multiply, multiply, who can tell how.
In the Gardens of god, in the daylight divine
Make me a leaf in thee, Mother of mine.
Does it smell sweet, too, in that holy place?
Sweet unto God, and the sweetness is grace;
The breath of it bathes the great heaven above,
In grace that is charity, grace that is love.
To thy breast, to thy rest, to thy glory divine
Draw me by charity, Mother of mine.

 
 
Heaven-Haven

A nun takes the veil

I have desired to go
Where springs not fail,To fields where flies no sharp and sided hail
And a few lilies blow.
Ik heb verlangd te gaan
waar bronnen niet verzaken,
naar velden waar geen scherpe hagel raast
en een paar lelies waaien.
And I have asked to be
Where no storms come,Where the green swell is in the havens dumb,
And out of the swing of the sea.
En ’k heb gevraagd te wezen
waar storm niet komt,
waar groene deining in havens verstomt,
en buiten het zee-bewegen.

Vertaald door J. Eijkelboom

 
God’s Grandeur

The world is charged with the grandeur of God.It will flame out, like shining from shook foil;
It gathers to a greatness, like the ooze of oil
Crushed.
Why do men then now not reck his rod?
De wereld is beladen met Gods pracht.Zij vlamt als van bewogen spiegels ’t licht,
zij zwelt als olie onder zwaar gewicht
geperst.
Hoe kunt gij blind zijn voor die macht?
Generations have trod, have trod, have trod;And all is seared with trade; bleared, smeared with toil;
And wears man’s smudge and shares man’s smell: the soil
Is bare now, nor can foot feeel, being shod.
Geslachten gingen er voorbij, voort, voort.Alles besmeurde hun gesjacher, alles schond
hun vuil, deelt in hun zweet en stank; de grond,
nu naakt, heeft geen geschoeide voet bekoord
And for all this, nature is never spent;There lives the dearest freshness deep down things;
And though the last lights off the black West went
Doch niettemin: natuur blijft overvloed.Lieflijkste koelte leeft diep in elk ding
en breekt in ’t westen dof de laatste gloed,
Oh, morning, at the brown brink eastward, springs –Because the Holy Ghost over the bent
World broods with warm breast and with ah! Bright wings.
O, ochtenlicht springt op in ’t oosten klaar:
de Heilige Geest broedt op de wereldring
met warme borst en o, hel vleugelpaar.

Vertaald door Gabriël Smit

 
 
 

Prayer I

Jesu that dost in Mary dwell,Be in thy servants’ heart as well,
In the spirit of thy holiness,
In the fulness of thy force and stress,
In the very ways that thy life goes,
And virtues that thy pattern shows,
In the sharing of thy mysteries;
And every power in us that isAgainst thy power put under feet
In the Holy Ghost the Paraclete
To the glory of the Father. Amen.

Aan deze concerten werkten mee:

Sopranen
Ingrid Appels
Judith Dijs
Pauline van der Meer
Christa Minderaa
Annemieke Rademaker
Claudia Sternberg

Alten
Marianne van den Beukel
Annelies Korff de Gidts
Ida Los
Godelief Mallee
Marijke Tulp
Hanna Thuránszky
Sanneke Verhagen

Tenoren
Rob van Dam
Theo Janson
Gabriël Hoezen
Niek Nieuwenhuijsen

Bassen
Wim Bel
Cor Haaring
Loek Hackmann
Frits Hali
Andreas Polman
Ton Stauttener

Dirigent
Nico van der Meel

Recensie: