okt 2010

Ungewisses Licht

- 1 oktober (Oude Kerk, Zoetermeer)
- 9 oktober (Lokhorstkerk, Leiden)
- 10 oktober (Engelse kerk, Amsterdam)

Ungewisses Licht

 


Programma


Robert Schumann
Zahnweh, op. 55, nr.2 (Robert Burns)                               
Jägerlied, op. 59, nr.3 (Eduard Mörike)
Schön-Rohtraut, op. 67, nr.3 (Eduard Mörike)
Der traurige Jäger, op. 75, nr.3 (Joseph von Eichendorff)
John Anderson, op. 145, nr.4 (Robert Burns)

Clara Schumann-Wieck 
Drei gemischte Chöre (Emanuel Geibel) (1848)                  
 - Abendfeier in Venedig
 - "Vorwärts"
 - Gondoliera

Johannes Brahms
Lieder und Romanzen, op. 93a  (1883/4)                              
 - Der bucklichte Fiedler (Rheinisches Volkslied)
 - Das Mädchen (Serbisch, Siegfried Kapper)
 - O Süßer Mai (L. Achim von Arnim)
 - Fahr’ Wohl (Friedrich Rückert)
 - Der Falke (Serbisch, Siegfried Kapper)
 - Beherzigung (J.W. von Goethe)

    pauze

Josef Gabriel Rheinberger
Messe in Es, op.109 "Cantus Missae" (1887)                   
 - Kyrie
 - Gloria
 - Credo
 - Sanctus
 - Benedictus
 - Agnus Dei

Robert Schumann
Vier doppelchörige Gesänge, op. 141 (1849)                    
 - An die Sterne (Friedrich Rückert)
 - Ungewisses Licht (J.C. von Zedlitz)
 - Zuversicht (J.C. von Zedlitz)
 - Talismane (J.W. von Goethe)

Het is 200 jaar geleden dat Robert Schumann geboren werd, als zoon van een uitgever. Liefde voor literatuur, wetenschap en cultuur werd hem dan ook met de paplepel ingegoten. Toen Roberts muzikale talent tevoorschijn kwam, kreeg hij direct grondig muziekles. Al op 10-jarige leeftijd begon hij zijn muzikale invallen aan het papier toe te vertrouwen en leerde hij zichzelf componeren. Na het gymnasium ging hij rechten studeren, maar nadat hij in 1830 Paganini had horen spelen, nam hij het besluit zijn leven aan de muziek te wijden. In dat jaar componeerde hij ook zijn officiële opus 1. De pedagoog Friedrich Wieck uit Leipzig voorspelde dat Robert binnen drie jaar zou kunnen uitgroeien tot een van de grootste concertpianisten. Zo trok Robert naar Leipzig om in de leer te gaan bij Wieck. Daar leerde hij ook diens toen nog erg jonge dochter Clara kennen.
Helaas was het lot Robert niet goed gezind: een spierblessure aan een hand zorgde ervoor dat Robert zijn dromen niet kon waarmaken. Wel bleef hij de muziek trouw. Hij onderhield een innige vriendschap met Felix Mendelssohn en begon les te geven aan het door Mendelssohn opgerichte conservatorium. Zijn pogingen om te dirigeren, onder andere als opvolger van Mendelssohn, waren minder succesvol. Ook de pedagogische kwaliteiten van Robert bleken uiterst beperkt. Maar hij werd wel een gevierd en literair begaafd muziekcriticus. En zijn composities vonden gretig aftrek bij het publiek, vooral zijn liederen en pianowerken.

In 1835, toen Clara 16 jaar was, werd Robert hevig verliefd op haar. Vader Wieck, die in Clara een buitengewoon getalenteerd pianiste zag, probeerde de relatie op alle mogelijke manieren tegen te werken en weigerde toestemming te geven voor een huwelijk. Er moest een rechterlijke uitspraak aan te pas komen, maar uiteindelijk trouwden Clara en Robert in 1840. Hun gezamenlijke passie voor muziek verdiepte hun relatie nog en het werd een uitzonderlijk gelukkig huwelijk. Na een uiterst succesvolle concertreis van Clara in 1843 door Rusland – Robert reisde uiteraard mee – vestigde het gezin zich in Dresden, waar het culturele leven bruiste. Hier woonden ze tot 1850, toen een nieuwe werkkring Robert naar Düsseldorf riep. De periode in Dresden was uiterst vruchtbaar: Robert componeerde er meer dan een derde van zijn oeuvre. Ook Clara componeerde, hoofdzakelijk pianowerken en liederen. Maar veel van wat ze schreef, werd gepubliceerd onder de naam van haar man. En sommige liedbundels van Robert bevatten liederen van Clara, maar tot op de dag van vandaag is nog niet helemaal uitgeplozen wie wat schreef.

In Dresden waren aan het begin van de 19de eeuw, net als in veel andere Duitse steden, koorverenigingen opgericht – een uiting van de opkomende burgercultuur. Van de Liedertafel werd Robert dirigent in 1847 en in 1848 richtte hij de Verein für Chorgesang op, dat zich later de Robert Schumannsche Singakademie zou noemen. Met deze koren werd Palestrina, Bach, Händel en Haydn uitgevoerd – en uiteraard schreef Robert zelf ook muziek. Om preciezer te zijn: vrijwel alle koorwerken van Robert ontstonden in zijn Dresdener periode en waren bedoeld voor zijn eigen koren. De tekstkeuze van zijn koorliederen verraadt Roberts brede literaire belangstelling. Naast de bekendere Duitse dichters vallen vertalingen van de Schotse dichter Robert Burns op.
Clara was nauw betrokken bij de koren en hielp intensief bij het instuderen van grote muziekwerken. Net als tegenwoordig was gezelligheid een belangrijk aspect van de koren en Clara en Robert genoten van het sociale aspect. Voor Roberts 38ste verjaardag schreef Clara drie koorliederen die zij met de enkele maanden daarvoor opgerichte Verein für Chorgesang uitvoerde.

Met Robert zou het niet zo goed gaan in Düsseldorf. Toenemende angsten kwelden hem, hij kreeg een permanente hoge toon in zijn oor en tenslotte zou hij – na een zelfmoordpoging in 1854 – opgenomen worden in een psychiatrische inrichting, waar hij tenslotte in 1856 stierf.
Maar eerst zou er nog iets opmerkelijks gebeuren. De twintigjarige Johannes Brahms kwam in 1853 bij de Schumanns langs om zijn talenten te demonstreren. Robert riep in een artikel Brahms direct uit tot een nieuw genie. En zo ontstond een diepe vriendschap tussen Brahms en de Schumanns. Brahms schreef veel van zijn pianowerken voor Clara, die ze op haar beurt ook uitvoerde. Tijdens Roberts ziekte stond Brahms de familie – en Clara –  zo veel mogelijk bij. Hij trok zelfs in het huis van de Schumanns. Tussen Clara en Johannes groeide een innige vriendschap die hun verdere leven zou duren. Johannes is nooit getrouwd geweest. Of er zoiets was als een liefdesrelatie tussen Clara en Johannes, is onderwerp geweest van veel speculaties. Ook toen Johannes in 1863 naar Wenen trok, hielden beiden door middel van brieven intensief contact. Een van de ergste dingen die Brahms is overkomen in zijn leven, is dat hij net te laat was voor de begrafenis van Clara in 1896. Johannes zelf kreeg korte tijd later kanker en overleed minder dan een jaar na Clara.
Brahms schreef veel van zijn koorwerken in zijn Weense periode, zo ook zijn opus 93a uit 1883/4. Te midden van zijn andere werken valt het op door de luchtige toon. De combinatie van volbloed-poëzie van Goethe en Rückert naast volksliedjes uit het Rijnland en uit Servië. Het is kenmerkend voor een componist die zo vaak folkloristische elementen tot doorwrochte vormen wist uit te werken.

Een beetje een buitenbeentje in dit programma is de Mis in Es voor dubbelkoor, bijgenaamd Cantus Missae, van Joseph Rheinberger (1839-1901). Rheinberger is in de eerste plaats bekend vanwege zijn orgelwerken, maar zijn oeuvre is zeer breed en omvat ook orkestwerken, vier opera's, pianomuziek, kamermuziek en vocale muziek in al zijn verschijningsvormen. Rheinberger, geboren in Liechtenstein, werkte het grootste deel van zijn leven in München en werd daar al pianoleraar aan het conservatorium toen hij 20 jaar was – en compositieleraar een jaar later. Op den duur reisden musici uit de hele wereld af naar München om les bij hem te nemen. Rheinberger werd vele malen onderscheiden en geëerd, onder andere met een eredoctoraat van de universiteit van München.
In 1877 werd Rheinberger benoemd tot hofkapelmeester van de Allerheiligen-Hofkirche. De eerste tijd voerde hij in die functie alleen werken van anderen uit; Palestrina nam daarbij een belangrijke plaats in. Op nieuwjaarsdag 1879 klonk voor het eerst een mis van zijn hand: de dubbelkorige Mis in Es. Dat dit stuk een succes was, bewijst het feit dat het op eerste paasdag 1879 en 1880 nogmaals klonk. Hoewel het idioom van de mis duidelijk romantisch is, zijn de dubbelkorigheid en de schrijfwijze geïnspireerd op componisten uit de renaissance. En hierin is dan toch een overeenkomst te vinden met Schumann en Brahms, die zich – zeker in hun geestelijke werken – ook lieten inspireren door oude meesters als Palestrina, Lassus, Bach en Händel.


Robert Schumann

Zahnweh, op. 55, nr.2 (Robert Burns)         

Wie du mit gift'gem Stachel fast
Die Kiefern mir zerrissen hast
Mein Ohr durchdröhnet ohne Rast
Dein Marterstich.
Du bist der Nerven Pein und Last:
Fluch über dich!

Stellt Fiebers Glut und Frost sich ein,
Zwickt's hier und dort in Mark und Bein,
Mitleid und Trost wird uns verleih'n
Des Nachbars Herz;
Du aber fügst zu Höllenpein
Noch Spottes Schmerz!

Mir rieselt's eiskalt über's Kinn,
Die Sessel schleudr' ich her und hin,
Um's Feuer tanzt mit lust'gem Sinn
Die kleine Brut,
ein Schwarm von Hummeln,
Ach! Ich bin Wahnsinn und Wut!

Von allen Plagen auf der Welt,
Mißrath'ner Ernte, wenig Geld,
Der Schurken Zunft,
Die Netze stellt
Mit List und Fleiß
Und dem, was Freud' uns sonst vergällt,
trägst du den Preis!

O Schwefelhaupt im Glutpalast,
Der du die Qual geboren hast,
Und willst, daßNebel und Morast
Auf Erden weh',
Gieb jedem, der Alt-Schottland haßt,
Ein Jahr dein Weh!

Zoals je me met je giftige stekel bijna
de kaken uit elkaar gescheurd hebt
Je foltersteek doordreunt mijn oren zonder ophouden.
Je bent pijn en belasting voor mijn zenuwen: vloek over jou!

Als het gloeien en rillen van de koorts begint, steekt het hier en daar door merg en been, maar het hart van de buurman zal ons medelijden en troost schenken;
Maar jij voegt aan die helse pijn
nog de smart van bespotting toe!

Een ijskoude rilling loopt over m’n kin,
ik sleur de stoelen heen en weer,
Rond het vuur danst met vrolijk gemoed
het kleine gebroed,
een zwerm hommels,
Ach! Ik ben waanzinnig en kwaad!

Van alle plagen in de wereld,
mislukte oogst, weinig geld,
een boevengilde,
dat met bedrog en toewijding
een vangnet opzet,
en alles wat verder ons plezier vergalt, daarvan ben jij de prijsdrager!

O, jij zwavelkop in een gloedpaleis,
jij die de kwelling gebaard hebt,
en wilt dat mist en moerassen
op aarde bestaan,
geef aan iedereen, die oud-Schotland haat, een jaar lang jouw pijn!

                      


Jägerlied, op. 59, nr.3 (Eduard Mörike)

Zierlich ist des Vogels Tritt im Schnee,
wenn er wandelt auf des Berges Höh':
zierlicher schreibt Liebchens liebe Hand,
schreibt ein Brieflein mir in’s ferne Land.

In die Lüfte hoch ein Reiher steigt,
dahin weder Pfeil noch Kugel fleugt:
Tausendmal so hoch und so geschwind
die Gedanken treuer Liebe sind.

Sierlijk is het voetspoor van een vogel in de sneeuw, als hij hoog in de bergen loopt:
maar nog sierlijker schrijft mijn liefje,
als ze mij, zo ver weg, een briefje schrijft.

Hoog in de lucht stijgt een reiger op,
zo hoog kan een pijl of kogel niet komen:
maar duizend keer zo hoog en net zo snel
zijn de gedachten van trouwe liefde.

 

Schön-Rohtraut, op. 67, nr.3 (Eduard Mörike)

Wie heißt König Ringangs Töchterlein?
Rohtraut, Schön-Rohtraut.
Was tut sie denn den ganzen Tag,
Da sie wohl nicht spinnen and nähen mag?
Tut fischen and jagen.
O daß ich doch ein Jäger wär'!
Fischen and Jagen freute mich sehr.
-Schweig’ stille, mein Herz!

Und über eine kleine Weil’,
Rohtraut, Schön-Rohtraut,
So dient der Knab' auf Ringangs Schloß
In der Jägertracht und hat ein Roß,
Mit Rohtraut zu jagen.
O daß ich doch ein König wär’!
Rohtraut, Schön-Rohtraut lieb' ich so sehr.
-Schweig’ stille, mein Herz!

Einstmals sie ruhten am Eichenbaum,
Da lacht Schön-Rohtraut:
Was siehst mich an so wunniglich?
Wenn du das Herz hast, küsse mich!
Ach! erschrak der Knabe!
Doch denket er: mir ist’s vergunnt,
Und küssset Schön-Rohtraut auf den Mund.
-Schweig’ stille, mein Herz!

Darauf sie ritten schweigend heim,
Rohtraut, Schön-Rohtraut;
Es jauchzt’ der Knab' in seinem Sinn:
Und würd’st du heute Kaiserin,
Mich sollt's nicht kränken:
Ihr tausend Blätter im Walde wißt,
Ich hab' Schön-Rohtrauts Mund geküßt!
-Schweig’ stille, mein Herz.

Hoe heet de dochter van koning Ringang?
Rohtraut, mooie Rohtraut.
Wat doet ze eigenlijk de hele dag,
aangezien ze niet van spinnen en naaien houdt? Ze vist en ze jaagt.
Ach was ik maar een jager!
Het vissen en jagen zou me veel plezieren.
-Wees stil, mijn hart!

En een tijdje later,
Rohtraut, mooie Rohtraut,
Daar dient de jongen zich bij Ringangs kasteel aan, in jagertenue en met paard,
om met Rohtraut te gaan jagen.
Ach, was ik maar een koning!
Ik hou zo van Rohtraut, mooie Rohtraut.
-Wees stil, mijn hart!

Een keer rusten ze uit bij een eik,
als Rohtraut lacht:
wat kijk je me zo gelukzalig aan?
Als je durft, kus me dan!
O jee! schrok de jongen!
Dan denkt hij: ik mag
en zoent mooie Rohtraut op de mond.
-Wees stil, mijn hart!

Daarop reden ze zwijgend naar huis,
Rohtraut, mooie Rohtraut,
De jongen juicht van binnen:
Al word jij vandaag nog keizerin,
het kan me niet meer deren:
De duizenden bladeren in het bos weten:
Ik heb de mooie Rohtrauts mond gekust!
 -Wees stil, mijn hart!


Der traurige Jäger, op. 75, nr.3 (Joseph von Eichendorff)

Zur ew’gen Ruh' sie sangen
die schöne Müllerin,
die Sterbeglocken klangen
noch über’ Waldgrund hin.

Naar de eeuwige rust bezongen ze
de mooie molenaarsvrouw,
de doodsklokken klonken
nog over de bosgronden.

Da steht ein Fels so kühle,
wo keine Wandrer geh’n,
noch einmal nach der Mühle
wollt’ dort der Jäger sehn.

Daar was een rots zo koud,
daar lopen geen wandelaars heen,
nog een keer naar de molen,
daarheen wilde de jager gaan zien.

Die Wälder rauschten leise,
sein Jagen war vorbei,
der blies so irrer Weise,
als müsst' das Herz entzwei.

De bossen ruisten zachtjes,
zijn jacht was afgelopen,
hij floot zulke bizarre deuntjes,
alsof hij zijn hart wilde splijten.

Und still dann in der Runde
ward's über Tal und Höh'n,
man hat seit dieser Stunde
ihn nimmermehr gesehn.

Toen het daarna stil werd in de omtrek,
werd in de dalen en hoogten,
sinds dat uur,
hij nooit meer gezien.

 

John Anderson, op. 145, nr.4 (Robert Burns)

John Anderson, mein Lieb!
Wir haben uns geseh'n,
Wie rabenschwarz dein Haar,
die Stirne glatt und schön!
Nun Glätte nicht noch Locke
der schönen Stirne blieb;
Doch segne Gott dein schneeig Haupt,
John Anderson, mein Lieb.

John Anderson, mijn lief!
We hebben elkaar gezien,
Hoe ravenzwart was je haar,
je voorhoofd strak en mooi!
Nu is je voorhoofd niet meer strak
en zijn je lokken weg;
Maar God zegene je sneeuwwitte hoofd,
John Anderson, mijn lief!

John Anderson, mein Lieb!
Wir klommen froh bergauf,
Und manchen heitern Tag
begrüßten wir im Lauf.
Nun abwärts Hand in Hand,
froh wie's bergauf uns trieb,
Und unten sel'ges Schlafengeh'n,
John Anderson, mein Lieb!

John Anderson, mijn lief!
We beklommen opgewekt de bergen,
En menige zonnige dag
begroetten wij zo onderweg.
Dan daalden we hand in hand weer af,
Net zo opgewekt als bij de beklimming,
en bij het zalige slapengaan,
John Anderson, mijn lief!

 


Clara Schumann-Wieck 
Drei gemischte Chöre (Emanuel Geibel) (1848)                  

Abendfeier in Venedig

Ave Maria! Meer und Himmel ruh'n,
Von allen Türmen hallt der Glocken Ton,
Ave Maria! Laßt vom ird'schen Tun,
Zur Jungfrau betet, zu der Jungfrau Sohn,
Des Himmels Scharen selber knien nun
Mit Lilienstäben vor des Vaters Thron,
Und durch die Rosenwolken wehn die Lieder
Der sel'gen Geister feierlich hernieder.

O heil'ge Andacht, welche jedes Herz
Mit leisen Schauern wunderbar durchdringt!
O heil'ger Glaube, der sich himmelwärts
Auf des Gebetes weißem Fittich schwingt!
In milde Tränen löst sich da der Schmerz,
Indes der Freude Jubel sanfter klingt.
Ave Maria! Erd' und Himmel scheinen
Bei diesem Laut sich liebend zu vereinen.

Ave Maria! Zee en hemel rusten,
Van alle torens klinkt de klank van de klok
Ave Maria! Laat het aardse rusten,
Bid tot de Maagd, tot haar Zoon,
Zelfs de hemelse scharen knielen thans
Voor de troon van de Vader met lelies,
En door wolken van rozen waaien gezangen der zalige geesten neer.

O heilige wijding, dat elk hart
met een zachte huivering prachtig vervult!
O heilig Geloof, dat zich hemelwaarts
op de vleugels van het gebed verheft!
In milde tranen wordt zo de pijn verlicht,
terwijl de vreugdejubel zachter klinkt.
Ave Maria! Hemel en aarde lijken bij deze klanken liefhebbend samen te gaan.

"Vorwärts"

Lass das Träumen, lass das Zagen,
Unermüdet wandre fort!
Will die Kraft dir schier versagen,
'Vorwärts' ist das rechte Wort.

Darfst nicht weilen, wenn die Stunde
Rosen dir entgegenbringt,
Wenn dir aus des Meeres Grunde
Die Sirene lockend singt.

Vorwärts, vorwärts! Im Gesange
Ringe mit dem Schmerz der Welt,
Bis auf deine heiße Wange
Goldner Strahl von oben fällt,

Bis der Kranz, der dichtbelaubte,
Schattig deine Stirn umwebt,
Bis verklärend überm Haupte
Dir des Geistes Flamme schwebt.

Vorwärts drum durch Feindes Zinnen,
Vorwärts durch des Todes Pein,
Wer den Himmel will gewinnen,
Muss ein rechter Kämpfer sein!

Laat het dromen, laat de twijfel,
Ga onvermoeibaar voort!
Als je kracht bijna op is,
Is ‘Voorwaarts’ de juiste leus!

Je mag niet dralen, als er rozen op je pad komen,
Als de Sirene vanuit het diepste van de zee je aanlokkend toezingt.

Voorwaarts, voorwaarts! In het gezang bevecht je het leed der aarde,
Totdat op je verhitte wangen
Een gouden straal van boven valt,

Totdat de krans, zo dichtbeloofd,
Je voorhoofd met schaduw omcirkelt,
Totdat verheerlijkend boven je hoofd
De vlam van de Geest verschijnt.

Daarom voorwaarts tussen de tinnen (torens) van de vijand door, door het leed van de dood, wie de hemel wil winnen,
moet een echte vechter zijn!

Gondoliera

O komm zu mir, wenn durch die Nacht
Wandelt das Sternenheer,
Dann schwebt mit uns in Mondespracht
Die Gondel übers Meer.

Die Luft ist weich wie Liebesscherz,
Sanft spielt der goldne Schein,
Die Zither klingt und zieht dein Herz
Mit in die Lust hinein.

O komm zu mir...

Das ist für Liebende die Stund,
Liebchen, wie ich und du,
so friedlich blaut des Himmels Rund,
es schläft das Meer in Ruh.

Und wie es schläft, da sagt der Blick,
Was nie die Zunge spricht,
Die Lippe zieht sich nicht zurück,
und wehrt dem Kusse nicht.

O komm zu mir...

Ach, kom bij me, als het leger der sterren door de nacht heenloopt,
dan zweeft de gondel met ons in de luister van de maan over de zee.

De lucht is zacht als een liefdesgrap,
Zachtjes speelt het gouden schijnsel,
De citer klinkt en trekt je hart mee de begeerte binnen.

 

Dit is voor minnaars het uur,
Liefje, zoals jij en ik,
Zo vredig is de blauwe hemelbol,
De zee slaapt rustig.

En als het slaapt, dan zegt de aanblik,
Wat de tong nooit zou zeggen,
De lip trekt zich niet terug,
En weert de kus niet af.

 


Johannes Brahms
Lieder und Romanzen, op. 93a  (1883/4)                              

Der bucklichte Fiedler (Rheinisches Volkslied)

Es wohnet ein Fiedler zu Frankfurt am Main,
der kehret von lustiger Zeche heim;
und er trat auf den Markt, was schaut’ er dort?
Der schönen Frauen schmausten gar viel’ an dem Ort.

Du bucklichter Fiedler, nun fiedle uns auf,
wir wollen dir zahlen des Lohnes vollauf!
Einen feinen Tanz, behende gegeigt,
Walpurgis Nacht wir heuer gefeir’t!

Der Geiger strich einen fröhlichen Tanz,
die Frauen tanzten den Rosenkranz;
und die erste sprach: Mein lieber Sohn,
du geigtest so frisch, hab’ nun deinen Lohn!

Sie griff ihm behend unter’s Wams sofort,
und nahm ihm den Höcker vom Rücken fort:
So gehe nun hin, mein schlanker Gesell,
dich nimmt nun jedwede Jungfrau zur Stell’!

Er woonde eens een vedelaar in Frankfurt,
die thuiskwam van een vrolijk gelag;
en hij kwam op de markt, wat zag hij daar?
Mooie smikkelende vrouwen, best wel veel.

 

Jij gebochelde vedelaar, speel wat voor ons,
we willen je er goed voor betalen!
Een heerlijke dans, vakkundig gespeeld,
Vandaag vieren we Walpurgisnacht!

De violist speelde een vrolijke dans,
De vrouwen dansten de rozenkrans;
En de eerste sprak: mijn lieve jongen,
Je speelt zo lekker, hier is je beloning!

Ze greep hem meteen onder zijn wambuis
en haalde zijn bochel van zijn rug vandaan:
Zo ga hier vandaan, mijn slanke vent,
elke vrouw neemt je nu ter plekke!

 

Das Mädchen (Serbisch, Siegfried Kapper)

Stand das Mädchen, stand am Bergesabhang,
Widerschien der Berg von ihrem Antlitz,
Und das Mädchen sprach zu ihrem Antlitz:

„Wahrlich, Antlitz, o du meine Sorge,
Wenn ich wüßte, du mein weißes Antlitz,
Daß dereinst ein Alter dich wird küssen,
Ging hinaus ich zu den grünen Bergen,
Pflückte allen Wermuth in den Bergen,
Preßte bitt’res Wasser aus dem Wermuth,
Wüsche dich, o Antlitz, mit dem Wasser,
Daß du bitter, wenn dich küßt der Alte!

Wüßt’ ich aber, du mein weißes Antlitz,
Daß dereinst ein Junger dich wird küssen,
Ging hinaus ich in den grünen Garten,
Pflückte alle Rosen in dem Garten,
Preßte duftend Wasser aus den Rosen,
Wüsche dich, o Antlitz, mit dem Wasser,
Daß du duftest, wenn dich küßt der Junge!“

Er stond een meisje op de helling van een berg,
De berg weerkaatste haar gelaat,
En het meisje sprak tot haar gelaat:

“Werkelijk, gelaat, jij baart me zorgen,
als ik zou weten, jij mijn blank gelaat,
dat ooit een oude vent jou zou kussen,
dan zou ik naar de groene bergen gaan,
en daar in de bergen alle alsem plukken,
zou ik uit die alsem bitter sap persen,
zou ik je daarmee wassen, o gelaat,
zodat je bitter bent als die oude je kust!

Maar zou ik weten, jij mijn blank gelaat,
dat ooit een jonge vent je zou kussen,
dan zou ik naar de groene tuin gaan,
zou ik alle rozen in de tuin plukken,
zou welriekend sap van de rozen persen,
zou ik je daarmee wassen, o gelaat,
zodat je lekker ruikt, als die jongen je kust!”

O Süßer Mai (L. Achim von Arnim)

O süßer Mai,
Der Strom ist frei,
Ich steh verschlossen,
Mein Aug’ verdrossen,
Ich seh nicht deine grüne Tracht,
Nicht deine buntgeblümte Pracht,
Nicht dein Himmelsblau,
Zur Erd’ ich schau;
O süßer Mai,
Mich lasse frei,
Wie den Gesang
An den dunkeln Hecken entlang.

O lieve mei,
De stroom is weer vrij,
Ik sta in mezelf gekeerd,
Mijn ogen lusteloos,
Ik zie je groene tenue niet,
Niet je bontgebloemde schoonheid,
Niet je hemelsblauw,
Ik kijk neer ter aarde;
O lieve mei,
Laat me loskomen,
Zoals het gezang
Langs de duistere hagen.

 

Fahr’ Wohl (Friedrich Rückert)

Fahr’ wohl,
O Vöglein, das nun wandern soll;
Der Sommer fährt von hinnen,
Du willst mit ihm entrinnen:
  Fahr’ wohl, fahr’ wohl!

Fahr’ wohl,
O Blättlein, das nun fallen soll,
Dich hat rot angestrahlet
Der Herbst im Tod gemalet:
  Fahr’ wohl, fahr’ wohl!

Fahr’ wohl,
All Liebes, das nun scheiden soll!
Und ob es so geschehe,
Daß ich nicht mehr dich sehe:
  Fahr’ wohl, fahr’ wohl,
  Fahr’ wohl!

Vaarwel,
Ach vogeltje, dat nu wegtrekt;
De zomer vertrekt van hier,
Jij wilt met hem meegaan:
Vaarwel, vaarwel!

Vaarwel,
Ach blaadje, dat nu moet vallen,
De herfst heeft je rood gekleurd,
een doodskleur gegeven:
Vaarwel, vaarwel!

Vaarwel,
Al het geliefde, dat nu afscheid neemt!
En of het zo gaat,
Dat ik jou niet meer kan zien:
Vaarwel, vaarwel!
Vaarwel!

 


Der Falke (Serbisch, Siegfried Kapper)

Hebt ein Falke sich empor,
wiegt die Schwingen stolz und breit,
fliegt empor, dann rechtshin weit,
bis er schaut der Veste Tor.

An dem Tor ein Mädchen sitzt,
wäscht ihr weißes Angesicht,
Schnee der Berge glänzet nicht,
wie ihr weißer Nacken glitzt.

Wie es wäscht und wie es sitzt,
hebt es auf die schwarzen Brau’n,
und kein Nachtstern ist zu schau’n,
wie ihr schwarzes Auge blitzt.

Spricht der Falke aus den Höh’n:
O du Mädchen wunderschön!
Wasche nicht die Wange dein,
daß sie schneeig glänze nicht!

Hebe nicht die Braue fein,
daß dein Auge blitze nicht!
Hüll’ den weißen Nacken ein,
daß mir nicht das Herze bricht!

Een valk verheft zich,
slaat trots en wijd zijn vleugels uit,
vliegt omhoog, vervolgens ver rechtdoor,
tot hij de poort van de vesting ziet.

Aan die poort zit een meisje,
en wast haar blanke gezicht;
de sneeuw van de bergen blinkt niet zo,
zoals haar blanke hals blinkt.

Hoe ze wast en hoe ze zit,
als ze haar wenkbrauwen optrekt,
is er geen ster meer in de nacht te zien,
zoals haar zwarte ogen flonkeren.

Daar spreekt de valk vanuit de hoogte:
Ach jij beeldschoon meisje!
Was je wangen niet,
zodat ze niet zo glanzen als sneeuw!

Trek je fijne wenkbrauwen niet op,
zodat je oog niet zo flonkert!
Bedek je blanke hals,
opdat m’n hart niet breekt!

 

Beherzigung (J.W. von Goethe)

Feiger Gedanken
Bängliches Schwanken,
Weibisches Zagen,
Ängstliches Klagen
Wendet kein Elend,
Macht dich nicht frei.

Laffe Gedachten
Bevreesd heen en weer bewegen,
Vrouwelijk weifelen,
Angstig klagen
Houdt ellende niet tegen,
maakt je niet vrij.

Allen Gewalten
Zum Trutz sich erhalten,
Nimmer sich beugen,
Kräftig sich zeigen
Rufet die Arme
Der Götter herbei!

Weerstand bieden
tegen alle geweld,
nooit buigen,
maar zich krachtig tonen
daarmee doe je een beroep
op de armen van de goden!

 

Pauze


Josef Gabriel Rheinberger
Messe in Es, op. 109 "Cantus Missae" (1887)                   

Kyrie

Kyrie eleison.

Heer, ontferm U over ons.

Christe eleison.

Christus, ontferm U over ons.

Kyrie eleison.

Heer, ontferm U over ons.

 

Gloria

Gloria in excelsis Deo.

Eer zij God in den hoge

Et in terra pax hominibus bonae voluntatis.

En vrede op aarde aan de mensen van goede wil.

Laudamus te, benedicimus te, adoramus te, glorificamus te.

Wij loven U, wij zegenen U, wij aanbidden U, wij verheerlijken U.

Gratias agimus tibi propter magnam gloriam tuam.

Wij danken U om Uw grote heerlijkheid.

Domine Deus, Rex coelestis, Deus Pater omnipotens.

Heer God, hemelse Koning, God almachtige Vader.

Domine Fili unigenite Jesu Christe.

Heer, eniggeboren Zoon, Jezus Christus.

Domine Deus, Agnus Dei, Filius Patris.

Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader.

Qui tollis peccata mundi, miserere nobis.

Hij die wegneemt de zonden der wereld, ontferm U over ons.

Suscipe deprecationem nostram.

Ontvang onze smeekbede.

Qui sedes ad dextram Patris, O miserere nobis.

Gij, die zit aan de rechterhand van de Vader, ontferm U over ons.

Quoniam tu solus Sanctus, tu solus Dominus, tu solus Altissimus, Jesu Christe.

Want alleen U bent heilig, U alleen Heer, U alleen de Allerhoogste, Jezus Christus.

Cum Sancto Spiritu in gloria Dei Patris.
Amen.

Met de Heilige Geest, in de glorie van God de Vader. Amen.

 

Credo

Credo in unum Deum; Patrem omnipotentem, factorem coeli et terrae, visibilium omnium et invisibilium. Ik geloof in één God, de Almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde, van alle zichtbare en onzichtbare dingen.
Et in unum Dominum Jesum Christum, Filium Dei unigenitum, et ex Patre natum ante omnia saecula. En in één Heer, Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, uit de Vader geboren vóór alle eeuwen.
Deum de Deo, lumen de lumine, Deum verum de Deo vero, genitum non factum, consubstantialem Patri: per quem omnia facta sunt. God van God, licht uit licht, waarlijke God van de waarlijke God. Geboren en niet gemaakt, één van wezen met de Vader, door wie alles gemaakt is.
Qui propter nos homines, et propter nostram salutem descendit de coelis. Die om ons mensen en om onze redding uit de hemel is nedergedaald.
Et incarnatus est de Spiritu Sancto ex Maria Virgine: et homo factus est. En Hij is vleesgeworden uit de Heilige Geest en de Maagd Maria: en Hij is mens geworden.
Crucifixus etiam pro nobis sub Pontio Pilato, passus et sepultus est. Hij is zelfs voor ons gekruisigd, heeft geleden onder Pontius Pilatus en is begraven.
Et resurrexit tertia die secundum Scripturas. En op de derde dag is hij opgestaan, overeenkomstig de schriften.
Et ascendit in coelum: sedet ad dexteram Patris. Hij is opgevaren ten hemel: waar hij zetelt aan de rechterhand des Vaders.
Et iterum venturus est cum gloria, judicare vivos et mortuos: cujus regni non erit finis. En hij zal wederkeren met heerlijkheid om te oordelen de levenden en de doden; en zijn heerschappij zal geen einde kennen.
Et in Spiritum Sanctum, Dominum, et vivificantem: qui ex Patre Filioque procedit. En ik geloof in de Heilige Geest, de Heer en levensbrenger: Die uit de Vader en de Zoon voortkomt.
Qui cum Patre et Filio simul adoratur et conglorificatur: qui locutus est per Prophetas. Die met de Vader en de Zoon tezamen wordt aanbeden en verheerlijkt: die aangekondigd is door de Profeten.
Et in unam sanctam catholicam et apostolicam Ecclesiam. En in één heilige, algemene en apostolische kerk.
Confiteor unum baptisma, in remissionem peccatorum. Ik belijd één doop ter vergeving van de zonden.
Et expecto resurrectionem mortuorum et vitam venturi saeculi.
Amen.
En ik verwacht de wederopstanding der doden, en het eeuwige leven.
Amen.

 

Sanctus

Sanctus, sanctus, sanctus, Dominus Deus Sabaoth. Heilig, heilig, heilig, de heer der hemelse machten.
Pleni sunt coeli et terra gloria tua. Vol zijn hemel en aarde van Uw heerlijkheid.
Osanna in excelsis. Hosanna in den hoge.

 

Benedictus


Benedictus qui venit in nomine Domini,
Gezegend, hij die komt in de naam des Heren.
Osanna in excelsis. Hosanna in den hoge.

 

Agnus Dei

Agnus Dei, qui tollis peccata mundi: Miserere nobis. Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm U over ons.
Agnus Dei, qui tollis peccata mundi: dona nobis pacem. Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, geef ons vrede.

 


Robert Schumann
Vier doppelchörige Gesänge, op. 141 (1849)                    
An die Sterne (Friedrich Rückert)

Sterne,
In des Himmels Ferne!
Die mit Strahlen bessrer Welt
Ihr die Erdendämmrung hellt,
Schau’n nicht Geisteraugen
Von euch erdenwärts,
Daß sie Frieden hauchen
Ins umwölkte Herz?

Sterren
aan de verre hemel!
Jullie, die met stralen van een betere wereld
De schemering van de aarde verlichten,
Kijken niet de ogen van geesten
Van jullie vandaan naar de aarde
Zodat zij rust brengen
In het bezwaarde hart?

Sterne,
In des Himmels Ferne!
Träumt sich auch in jenem Raum
Eines Lebens flücht’ger Traum?
Hebt Entzücken, Wonne,
Trauer, Wehmut, Schmerz,
Jenseits unsrer Sonne
Auch ein fühlend Herz!

Sterren
aan de verre hemel!
Droom je in die ruimte ook
De vluchtige droom van een leven?
Wordt aan gene zijde van onze zon
Een gevoelig hart ook gegrepen
Door verrukking, gelukzaligheid,
Droefenis, weemoed, pijn?

Sterne,
In des Himmels Ferne!
Winkt ihr nicht schon Himmelsruh’
Mir aus euren Fernen zu?
Wird nicht einst dem Müden
Auf den goldnen Au’n
Ungetrübter Frieden
In die Seele tau'n?

Sterren
aan de verre hemel!
Wenken jullie mij niet reeds nu
Uit jullie verten hemelse rust toe?
Zal niet eens
Een onbezorgde vrede
De ziel van de vermoeide mens vervullen
Op de gouden velden?

Sterne,
In des Himmels Ferne!
Bis mein Geist den Fittig hebt,
Und zu eurem Frieden schwebt,
Hang’ an euch mein Sehnen,
Hoffend, glaubevoll!
O, ihr holden schönen,
Könnt ihr täuschen wohl?

Sterren,
aan de verre hemel!
Tot mijn geest zijn vleugels uitslaat
En naar jullie vrede zweeft,
Mijn verlangen, zoek houvast bij jullie,
Hopend, vertrouwend!
O jullie lieflijken, schonen,
Kunnen jullie misschien misleiden?

 

Ungewisses Licht (J.C. von Zedlitz)

Bahnlos und Pfadlos, Felsen hinan
Stürmet der Mensch, ein Wandersmann:
Stürzende Bäche, wogender Fluß,
Brausender Wald, nichts hemmet den Fuß!

Zonder baan, zonder pad - de bergen op
Stormt de mens, rust’loos op weg naar de top
Watervallen, een golvende vloed,
Bruisend woud - niets belemmert zijn voet!

Dunkel im Kampfe über ihn hin,
Jagend im Heere die Wolken zieh’n;
Rollender Donner, strömender Guß,
Sternlose Nacht, nichts hemmet den Fuß!

Boven hem, strijdend in duistere nacht,
Trekken de wolken in wilde jacht;
Dreunende donder, een regenvloed,
Nacht zonder ster - niets belemmert zijn voet!

Endlich, ha! endlich schimmert's von fern!
Ist es ein Irrlicht, ist es ein Stern?
Ha! wie der Schimmer so freundlich blinkt,
Wie er mich locket, wie er mir winkt!

Eind'lijk, ha! Eindelijk glanst iets van ver!
Is het een dwaallicht, is het een ster?
Ha! Hoe vriend'lijk die glans nu toch blinkt,
Hoe hij me aanlokt, hoe hij me wenkt!

Rascher durcheilet der Wandrer die Nacht,
Hin nach dem Lichte zieht's ihn mit Macht!
Sprecht wie, sind's Flammen, ist's Morgenrot?
Ist es die Liebe, ist es der Tod?

Sneller gaat nu de mens door de nacht
Naar het licht getrokken uit alle macht!
Spreek toch, zijn 't vlammen, is 't morgenrood?
Is het de liefde, is het de dood?

 

Zuversicht (J.C. von Zedlitz)

Nach oben mußt du blicken,
Gedrücktes, wundes Herz,
Dann wandelt in Entzücken
Sich bald dein tiefster Schmerz.

Froh darfst du Hoffnung fassen,
Wie hoch die Flut auch treibt.
Wie wärst du denn verlassen,
Wenn dir die Liebe bleibt?

Naar boven richt uw blikken,
Bedrukt, gepijnigd hart,
Dan heft zich tot verrukking
Al gauw uw diepste smart.

Leer nieuwe hoop te vatten,
Hoe hoog de vloed ook rijst.
Hoe zoudt ge zijn verlaten
Als u de liefde blijft?

 

Talismane (J.W. von Goethe)

Gottes is der Orient!
Gottes ist der Okzident!
Nord- und südliches Gelände
Ruht im Frieden seiner Hände.

Er, der einzige Gerechte,
Will für jedermann das Rechte.
Sei, von seinen hundert Namen,
Dieser hoch gelobet! Amen.

Mich verwirren will das Irren;
Doch du weißt mich zu entwirren.
Wenn ich handle, wenn ich dichte,
Gib du meinem Weg die Richte.

Het Oosten is van God!
Het Westen is van God
Noordelijke- en zuidelijke landen
Rusten vredig in zijn handen.

Hij, de enige gerechte
Wil voor iedereen het rechte.
Zij van al zijn honderd namen
Deze hooggeprezen! Amen.

Vol verwarring moet ik dwalen;
Gij weet mij terug te halen.
Als ik handel, als ik dicht,
Geef mij richting, geef mij licht.

 

Aan deze concerten werkten mee:

Sopranen
Ingrid Appels
Rosanne de Clercq
Judith Dijs
Pauline van der Meer
Ernestine Smulders
Marleen Steenkist
Claudia Sternberg

Alten
Marianne van den Beukel
Annelies Korff de Gidts
Godelief Mallee
Maartje Sevenster
Sanneke Verhagen
Mieke Vissers
Ester van der Voet

Tenoren
Theo Boersema
Peter Groot
Marcus Gunningham
Gabriël Hoezen
Theo Janson
Niek Nieuwenhuijsen

Bassen
Wim Bel
Cor Haaring
Fred Hickendorff
Paul-Peter Polak
Andreas Polman
Ton Stauttener

Dirigent
Nico van der Meel

Samenstelling programma                          : Paul van der Werf
Programmatoelichting                                 : Nico van der Meel
Ontwerp affiche                                            : Gabriël Hoezen
Samenstelling programmaboekje              : Andreas Polman