Jubilé 2012!

Jubilé 2012!

Franstalige koormuziek van jubilerende componisten uit de Nederlanden
(Willaert, Clemens, Sweelinck, Wagenaar, Diepenbrock, Strategier, Escher)

- donderdag 22 november, 20:15: concert, Oude Kerk Zoetermeer,
- zaterdag 24 november, 20:15: concert, Lokhorstkerk Leiden,
- zondag 25 november, 15:00: concert, Oud-Katholieke Kerk Delft.
- donderdag 29 november, 's avonds: concert Westmaas.

Er zijn veel Nederlandse componisten voor wie 2012 een gedenkjaar is. Het William Byrd Vocaal Ensemble zette deze componisten dit najaar in het zonnetje.
 
Het toeval wil, dat de componisten Adrian Willaert (overleden 1562), Jacobus Clemens non Papa (geboren ca. 1512), Jan Pieterszoon Sweelinck (geboren 1562), Alphons Diepenbrock, Johan Wagenaar (beiden geboren 1862), Herman Strategier en Rudolf Escher (beiden geboren 1912) allemaal Franse chansons voor koor a capella hebben geschreven. Met dit gegeven in het hoofd heeft het William Byrd Vocaal Ensemble een schitterend programma samengesteld. Het maakt voelbaar hoe de Franse cultuur door de eeuwen heen grote invloed heeft gehad op de Nederlandse muziek.

Programma:

Jacob Clemens non Papa (1512-1555/1556)
Si par souffrir
Si par trop boire
Amour au cueur me poingt

Adriaan Willaert (ca. 1490-1562)
À la fontaine du prez
De retourner mon amy
Irons-nous toujours coucher

Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621)
Face donques qui voudra
Tes beaux yeux
Tu as tout seul

- Pauze -

Herman Strategier (1912-1988)
Trois chansons
Johan Wagenaar (1862-1941)
Calme des nuits
Alphons Diepenbrock (1862-1921)
Chanson d’automne
Johan Wagenaar
Musiciens qui chantez
Rudolf Escher (1912-1980)
Ciel, air et vents

In 2012 gedenken we nogal wat componisten uit Nederland – en in het geval van de 16de en 17de eeuw, uit De Nederlanden. Het toeval wil, dat de componisten Adrian Willaert (overleden 1562), Jacobus Clemens non Papa (geboren ca. 1512), Jan Pieterszoon Sweelinck (geboren 1561/2), Alphons Diepenbrock, Johan Wagenaar (beiden geboren 1862), Herman Strategier en Rudolf Escher (beiden geboren 1912) allemaal meerstemmige Franse chansons hebben geschreven, die we als koor voor u kunnen uitvoeren.

Zingen in het Nederlands is door de eeuwen heen een moeizame zaak geweest, ook in de 16de eeuw. Nederlandse sololiederen waren er volop, al was het maar doordat er in de rederijkerskamers massa's liederen op bekende melodieën van de tijd werden gemaakt. Ook beroemde dichters produceerden veel op dit gebied. Maar het meerstemmige lied werd meestal gezongen door groepjes gegoede burgers, die liever in het chique Frans spraken en zongen. De Antwerpse uitgevers Susato en Phalèse brachten weliswaar ook enkele bundels met meerstemmige Nederlandse liederen op de markt, maar de populariteit van deze bundels bleef ver achter bij die van de tientallen bundels met Franse chansons – ook in de noordelijke Nederlanden. Componisten waren eveneens verdeeld; sommigen, zoals Clemens non Papa, Schuyt, Episcopius en Padbrué, vonden het prima om Nederlandse teksten te gebruiken; anderen, zoals Willaert en Sweelinck, hebben dit nooit gedaan. 

Clemens non PapaJacobus Clemens non Papa werd tussen 1510 en 1515 geboren en om zijn 500ste geboortejaar te vieren is door een commissie musicologen het jaar 2012 aangewezen. Zijn geboorteplaats is niet bekend, maar het moet ergens in Vlaanderen of Zeeland geweest zijn. Hij was een van de productiefste componisten – en voor mij persoonlijk de grootste componist – van zijn generatie. Hoewel hij zelf waarschijnlijk nooit buiten de Nederlanden gewerkt heeft, werden zijn werken door heel Europa verspreid. Van groot belang zijn zijn driestemmige zettingen van de Souterliedekens, de eerste psalmberijming op indertijd populaire melodieën; het is dankzij deze zettingen dat we veel van de liedjes uit die tijd nog kunnen recontrueren. De Leidse koorboeken bevatten aardig wat van zijn werken, wat een aanwijzing is dat hij, net als in Den Bosch, een tijd in Leiden professioneel te gast is geweest.
In Clemens' werken horen we een dicht weefsel van elkaar imiterende stemmen, maar in sommige chansons en liederen zijn ook momenten van grotere homofonie, wat de helderheid ten goede komt. In het maar liefst achtstemmige Amour au cueur me poingt kunnen we twee koortjes van elk vier stemmen onderscheiden; toch klinken na de eerste introductie steeds minstens vijf stemmen, en meestal alle acht stemmen tegelijkertijd.


Jacob Clemens non Papa (1512-1555/1556)

Si par souffrir

Si par souffrir ie puis avoir du bien
Cest bien raison que pour ung temps iendure
En attendant davoir ce qui est mien
Iauray espoir davoir bonne aventure.

Als ik door pijn het geluk kan bereiken,
Dan heb ik (nu) alle reden om dat lang vol te houden en te wachten op datgene wat mij toekomt. Zo heb ik dan hoop op betere tijden.

 

Si par trop boire

Si par trop boire lendemain
vous tremble teste, pied ou main,
prenez bien tost sans contredict
du poil du chien qui vous mordit.

Als na te veel drinken de volgende dag
u het hoofd, voet of hand trilt,
neem dan snel zonder tegenspraak
het haar van de hond die u gebeten heeft.

 

Amour au cueur me poingt
Tekst Clement Marot (1496-1544)

Amour au cueur me poingt
quant bien aymé je suis,
mais aymer je ne puis
quant on ne m’ayme point.
Chescung soit adverty
de faire comme moy
car daymer sans party
cest ung trop grant esmoy.

Liefde doorsnijdt mijn hart
Wanneer ik word bemind,
Maar ik kan niet beminnen
Als ik niet word bemind.
Een ieder zij gewaarschuwd
Om te doen als ik
Want onbeantwoorde liefde
Is het ergste dat er is.

 


Adriaan Willaert (ca. 1490-1562)
WillaertAdriaan Willaert werd omstreeks 1490 in Rumbeke in het zuiden van Vlaanderen geboren. Hij studeerde in Parijs bij Jean Mouton en daar kreeg hij de stijl van Josquin Desprez met de paplepel ingegoten. Hij trok rond 1515 naar Italië, waar hij uiteindelijk in 1527 tot kapelmeester van de San Marco in Venetië benoemd werd, een functie die hij tot aan zijn dood in 1562 bekleedde. Willaert werd zo de belangrijkste schakel tussen Josquin en de Venetiaanse school van zijn leerlingen, de neven Gabrieli, en Monteverdi.
Willaert schreef behalve kerkelijke muziek veel Italiaanse madrigalen, maar zijn eigen Frans bleef hij ook trouw. Zijn chansons verschenen, net als die van Clemens non Papa, in de verzamelbundels van de Antwerpse uitgever Susato. Opvallend is het veelvuldig gebruik van canons in zijn chansons. In het zesstemmige De retouner mon amy zingen de twee bovenstemmen in canon met elkaar. Irons-nous toujours coucher is zelfs een dubbelcanon: de mannenstemmen zingen de vrouwenstemmen na. Het chanson À la fontaine du prez werd wereldberoemd; het muzikale materiaal werd door vele componisten hergebruikt, onder andere door Clemens non Papa in een van zijn missen.

À la fontaine du prez

À la fontaine du prez,
Margo s’est baignée,
Son amy passit par la,
Qui la regarde et hip!

Bij de bron in de wei
Nam Margo een bad.
Haar vriendje liep langs
Zag haar en hopla!

“Belle que faictes vous là,
Margo, marguerite”
“J’arouse mon persinet
Et ma souriette et hip!”

“Schoonheid, wat doe je daar,
Margo, margrietje?”
“Ik begiet mijn peterselie,
En mijn muisje – hopla!”

De retourner mon amy

De retourner, mon ami, je te prie,
Pour contenter l’esprit bon de t’amye,
Car sans cela ayse ne puis avoir,
Triste vivrai, je te le fais sçavoir,
Si ne te voy si j’en ai grant envie.

Dat je terugkeert, m’n vriend, dat bid ik je,
Voor het zielenheil van je vriendin,
Want zonder dat heb ik geen rust,
Ik zal in droefheid leven, doe ik je weten,
Als ik je niet zie terwijl ik een groot verlangen heb.

Irons-nous toujours coucher

Irons-nous toujours coucher
Sans guyterne, sans lanterne
Sans lumière, sans clarté,
Irons-nous toujours coucher 
sans souper?

Zullen we altijd gaan slapen,
Zonder gitaar, zonder lantaren,
Zonder licht, zonder helderheid,
Zullen we altijd gaan slapen
Zonder eten?


Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621)
SweelinckJan Pieterszoon Sweelinck verbleef bijna zijn hele leven in Amsterdam, waar hij als organist van de Oude Kerk zijn vader opvolgde. Hij verliet Amsterdam hooguit om orgels in Nederland te keuren. Des te opmerkelijker is het, dat musici uit heel Europa naar Amsterdam kwamen om les te nemen bij Sweelinck in compositie, orgelspel en improvisatie. Zo heeft hij grote invloed gehad op de Noord-Duitse orgelschool en daardoor indirect op de Bach. Over het geboortejaar van Sweelinck ontstond enige maanden geleden verwarring, maar musicologen zijn het er ondertussen over eens dat hij laat in 1561 of vroeg in 1562 geboren moet zijn. Hij stierf in elk geval in 1621 en werd in de Oude Kerk begraven.
Het muzikale leven in de 17de eeuw speelde zich goeddeels af in de huiskamers, want tijdens de dienst klonk er geen meerstemmige of instrumentale muziek in de Calvinistische kerken, en van een hofcultuur was in Nederland nauwelijks sprake. De muziek die Sweelinck naast zijn klavierwerken maakte – polyfone zettingen van alle psalmen uit het Geneefs psalter, in het Frans, Italiaanse madrigalen en Franse chansons –, schreef hij voor zijn Amsterdamse Collegium Musicum, een groep musicerende gegoede burgers.

Face donques qui voudra

Face donques qui voudra
Amour un petit ange,
Jamais il ne m’adviendra
D’en dire une louange:
Tous ceux qui feront ainsi
Vivront gaillard sans soucy.

Wie wil, kan de liefde
voor een klein engeltje houden,
Maar mij zul je haar nooit een
Een lofzang horen zingen:
Allen die zo doen
zullen tevreden zonder zorgen leven.

Amour est une fureur
De l’enfer eschappé
Pour martirer de langueur
La povr’ am’ attrappée:
Ceux là bien sage seront,
Qui d’aymer se passeront.

De liefde is een furie
Ontsnapt uit de hel
Om de arme ziel die gevangen is,
Te martelen en te verlammen:
Wie van het liefhebben afziet,
Zal heel verstandig handelen.

Tes beaux yeux
Tekst Olivier de Magny (1529 -1561)

Tes beaux yeux causent mon amour
Mon amour fait que je desire
Le desir m´ard et nuit et jour
L´ardeur me donn´un grand martire
Le martire fait que j´empire
L´empirer me livre la mort
Et toy qui ne fais que t´en rire
Ne me daignes donner confort.

Uw mooie ogen wekken mijn liefde
Mijn liefde doet mij verlangen
Het verlangen brandt in mij, dag en nacht
Dat vuur is me een grote kwelling
Die kwelling doet me kwijnen
Het kwijnen voert me naar de dood.
En jij, die er alleen om lacht,
Neemt niet de moeite me te troosten.

 

Tu as tout seul
Tekst Clement Marot (1496-1544)

Tu as tout seul, Jan, Jan, vignes et prez,
Tu as tout seul ton coeur et ta pecune,
Tu as tout seul deux logis diaprez
Là où vivant ne pretend chose aucune.
Tu as tout seul le fruit de ta fortune,
Tu as tout seul ton boir’ et ton repas.
Tu as tout seul toutes choses fors une,
C'est que tout seul ta femme tu n'as pas.

Je hebt helemaal alleen, Jan, wijngaard en land,
Je hebt helemaal alleen je hart en je rijkdom,
Je hebt helemaal alleen twee kleurrijke huisjes,
Waar geen levende ziel iets mee wil..
Je hebt helemaal alleen de vrucht van je fortuin,
Je hebt helemaal alleen je drank en maaltijd.
Je hebt alles voor jezelf, behalve één:
Je vrouw, die heb je niet alleen.

 

 

 

 

- Pauze -

 

 

StrategierOm conflicten tussen protestanten en katholieken over het bezit van oude kerken te voorkomen, werden er tussen 1824 en 1875 veel nieuwe Kkatholieke kerken gebouwd met financiële steun van de overheid. In deze zogenaamde Waterstaatskerken werden veelal orgels geplaatst naar de laatste mode. En die mode was Frans, dankzij het werk van orgelbouwer Cavaillé-Coll en organist en componist César Franck. Dientengevolge ontwikkelde de muziek in die gebouwen zich ook in Franse richting.
Kerkmusicus Herman Strategier (1912-1988) stond als leerling van Hendrik Andriessen volop in die traditie. Maar ook buiten de kerkmuziek had hij Franse helden: Debussy, Fauré en Poulenc. Met zijn Nederlands Madrigaalkoor uit Leiden voerde Strategier menig nieuw Nederlands koorwerk uit. Zijn Trois Chansons schreef hij voor het Collegium Musicum Amstelodamense in 1965. Ze zijn gebaseerd op Franse volksliedjes uit de 17de en 18de eeuw.
Herman Strategier (1912-1988)
Trois chansons

Les compagnons de la Marjolaine

Qu'est-ce qui passe ici si tard,
Compagnons de la Marjolaine,
Qu'est-ce qui passe ici si tard,
Gai, gai, dessus le quai?

Wat gebeurt er hier zo laat,
Kameraden van de Marjolaine,
Wat gebeurt er hier zo laat,
Zo vrolijk aan de kade?

Ce sont les chevaliers du guet.
Compagnons de la Marjolaine.

Het zijn de ruiters van de wacht.
Kameraden van de Marjolaine.

Que demandent ces chevaliers?
Une fillette à marier.

Wat willen die ruiters dan?
Een meisje om mee te trouwen!

 

Me promenant un matin

Me promenant un matin
Dans un bois à l'aventure,
Je rencontre en mon chemin,
Un tendron sur la verdure

D'où venez-vous? D'où venez-vous?
Je n'aimerai jamais que vous.

Ik liep eens op een morgen
door een bos, op goed geluk,
Daar trof ik op mijn weg,
Een jonge blom al in het gras

,
Vanwaar kom jij nou? Vanwaar kom jij nou?
Ik hou alleen nog maar van jou.

Et je rencontre en mon chemin,
Un tendron sur la verdure,
Sa cotte était de bazin,
Et son cotillon de bure.

En ik trof daar op mijn weg,
Een jonge blom al in het gras,
Ze droeg een bombazijnen rok
En een baaien onderrok.

Sa cotte était de bazin,
Et son cotillon de bure,
Le vermillon de son teint,
Faisait toute sa parure.

Ze droeg een bombazijnen rok
En een baaien onderrok,
De rode blos op haar gelaat,
Dat was haar enige sieraad.

De sa bouche le matin
Sortait une haleine pure.

Uit haar mond in de morgenstond
Kwam een zuivere adem voort.

Sur un lit de romarin
Elle étendait sa figure,
Le zéphyr d'amour atteint,
L'endormit par son murmure.

Op een bed van rozemarijn
Vleide zij zich neer,
En Zefier, door de liefde geraakt,
Wiegde haar met zijn gefluister in slaap.

En revenant de Versailles

En revenant de Versailles,
En passant dedans Saint-Cloud,
Je trouvai un p'tit bonhomme,
Qu'avait sa femme à son cou:
Je suis soûl de ma femme
L'achèterez-vous? L'achèterez-vous?

Toen ik terugkwam uit Versailles,
En ik in Saint-Cloud aankwam,
Zag ik een kleine man staan
Die zijn vrouw droeg op zijn nek:
Ik ben mijn vrouw zo zat,
Wilt u haar kopen?

Je trouvai un p'tit bonhomme,
Qu'avait sa femme à son cou;
Je lui dis: petit bonhomme,
Qu'avez-vous à votre cou?
Je suis las de ma femme,
L'achèterez-vous? L'achèterez-vous?

Zag ik een kleine man staan,
Die zijn vrouw droeg op zijn nek;
Ik zei hem toen: zeg beste man,
Wat heb jij nou aan je hals?
Ik ben mijn vrouw zo zat,
Wilt u haar kopen?

Je lui dis: petit bonhomme
Qu'avez-vous à votre cou?
Je porte ma femme vendre,
Monsieur l'achèterez-vous?
Je suis soûl de ma femme,
L'achèterez-vous? L'achèterez-vous?

Ik zei hem toen: zeg beste man,
Wat heb jij nu op je nek?
Ik bied mijn vrouw te koop aan,
Meneer, wilt u haar kopen?
Ik ben mijn vrouw zo zat,
Wilt u haar kopen?

Je porte ma femme vendre,
Monsieur l'achèterez-vous?
Il porte sa femme vendre,
Il porte sa femme à son cou.
Monsieur l'achèterez-vous?

Ik bied mijn vrouw te koop aan,
Meneer, wilt u haar kopen?
Hij biedt haar te koop aan,
Hij draagt zijn vrouw op zijn nek.
Meneer, wilt u haar kopen?

Ell' m'a coûté cinq cents livres,
Vous la donn'rai pour cinq sous?
Ell' m'a coûté cinq cents livres,
Maintenant ell' coûte cinq sous !
Je suis las de ma femme,
L'achèterez-vous? L'achèterez-vous?

Ze heeft me vijfhonderd pond gekost,
Wilt u haar voor vijf stuivers hebben?
Ze heeft me vijfhonderd pond gekost,
Maar nu kost ze maar vijf stuivers!
Ik ben mijn vrouw zo zat,
Wilt u haar kopen?

 


Johan Wagenaar (1862-1941)
WagenaarNa de 17de eeuw raakte het meerstemmige wereldlijke lied wat uit de mode. Pas met het opnieuw opbloeien van de burgercultuur aan het begin van de 19de eeuw en de daaruit voortvloeiende oprichting van amateurkoren komt het genre weer in de belangstelling van componisten te staan. En dan is er dus ook echt sprake van een koorlied. Johan Wagenaar (1862-1841) leidde gedurende zijn leven vele van dit nieuwe type amateurkoren: Toonkunstkoren in Utrecht, Leiden en Arnhem, de Utrechtse Mannenzangvereeniging en het Utrechts A-Capella-Koor. Daarnaast was Wagenaar o.a. directeur van de Utrechtse muziekschool en vanaf 1919 van het Koninklijk Conservatorium.
In Nederland overheerste in de 19de eeuw de invloed van de Duitse muziek. Pas aan het eind van de 19de eeuw ontstaat een richtingenstrijd tussen aanhangers van de doorwrochte Duitse muziek en de wat lichtere, intuïtievere Franse muziek. Wagenaar stond in het begin van zijn carrière nog sterk onder invloed van Duitse componisten als Mendelssohn en Schumann. Maar dat hij ook verder keek, bewijst wel het feit dat hij Calme des nuits schreef, op een tekst van Camille Saint-Saëns, die de tekst ook zelf voor a capella-koor had getoonzet. Hij gaf ook alle ruimte aan zijn leerlingen Alexander Voormolen en Willem Pijper, die een grote liefde voor de Franse muziek aan de dag legden. Ook Wagenaars belangstelling voor oude muziek laat zich in dit programma zien, want de tekst van zijn Musiciens, qui chantez komt van een compositie van de 16de eeuwse Antwerpse componist Hubert Waelrant.

Calme des nuits
Tekst Camille Saint-Saëns

Calmes des nuits, fraîcheur des soirs,
Vaste scintillement des mondes,
Grand silence des antres noirs 
Vous charmez les âmes profondes.
L'éclat du soleil, la gaité, 
Le bruit plaisent aux plus futiles;
Le poète seul est hanté
Par l'amour des choses tranquilles.

Kalmte der nachten, koelte van de avonden,
weids sterrengeflonker,
grootse stilte der zwarte spelonken
jullie betoveren diepzinnige zielen.
Schittering van de zon, vrolijkheid
en lawaai behagen de oppervlakkigen;
alleen de dichter is vervuld
van liefde voor stille dingen.

 


Alphons Diepenbrock (1862-1921)
DiepenbrockAlphons Diepenbrock was geen beroepsmusicus en hij was als componist autodidact. En hoewel contact met musici voor hem zeer inspirerend werkte, maakte zijn status als doctor in de klassieke letteren zijn relatie met de muziekwereld altijd wat moeizaam. Dat er uiteindelijk toch veel waardering is voor zijn composities, blijkt wel uit het feit dat dit jaar zijn 150ste geboortejaar behoorlijk goed gevierd is. Ook bij Diepenbrock zien we een verschuiving van belangstelling van Duitse naar Franse cultuur. Dat komt niet alleen in zijn muziek tot uiting, maar ook in de teksten voor zijn liederen: na 1897 koos hij steeds vaker voor Franse, moderne dichters.
Niet dat Diepenbrock het kon weten op het moment dat hij zijn koorlied schreef, maar Chanson d'automne van de Paul Verlaine is een van de bekendste gedichten uit de Franse taal geworden. De eerste twee regels van het gedicht werden door de geallieerden via Radio Londen als code doorgegeven aan het Franse verzet. Zodra de eerste regel van het gedicht was doorgegeven, wist het verzet dat de invasie op korte termijn zou plaatsvinden; de tweede regel gaf aan dat de landing binnen 24 uur zou beginnen.

Chanson d’automne
Tekst Paul Verlaine

Les sanglots longs
des violons
  de l'automne
blessent mon coeur
d'une langueur
  monotone.

De lange snikken
van de violen
  van de herfst
Verwonden mijn hart
met hun lome
  eentonigheid.

Tout suffocant
et blême, quand
  sonne l'heure.
je me souviens
des jours anciens,
  et je pleure...

Benauwd
en doodsbleek, als
  de klokken luiden,
herinner ik me
de dagen van weleer
  en ik ween

Et je m'en vais
au vent mauvais
  qui m'emporte
de çà, de là,
pareil à la
  feuille morte...

En ik ga weg
waar kwade wind
  me heenvoert
van hier naar daar
net als
  een dood blad

 


Johan Wagenaar
Musicien qui chantez

Musiciens qui chantez à plaisir,
Qui gringotez, refringotez la note.
Prenez un ton plus doux,
Et à loisir,
Signifiant ce que le chant dénote,
Accordez-vous, ainsi que la linote
Qui prend plaisir en son chant gracieux.
Soyez experts des oreilles et des yeux,
Ou autrement il vaudrait mieux vous taire.
Et je vous prie,que vous soyez soigneux
De ne chanter, que vous n'avez à boire.

Jullie muzikanten die zingen voor je plezier,
die zingen als leeuweriken,
Zing wat zachter
En laat op je gemak
horen wat het gezang betekent.
Zing in harmonie, net als de kneu, die behagen schept in haar sierlijke gezang.
Let goed op met oren en ogen,
Anders is het beter dat u zwijgt.
En ik bid u ervoor te zorgen
Niet te zingen, tenzij u iets te drinken hebt.

 

 

 

 

Rudolf Escher (1912-1980)
EscherNa het gymnasium in Leiden bezocht te hebben, wilde Rudolf Escher (1912-1980) een artistieke opleiding doen, maar hij vond het moeilijk een keuze te maken. Uiteindelijk studeerde hij compositie aan het conservatorium in Rotterdam bij Willem Pijper. Zijn composities zijn in eerste aanleg georiënteerd op de muziek van Debussy en Ravel, maar Escher ontwikkelde toch een heel eigen stijl, waarin zwevende tonaliteit een voorname plaats heeft. Hoewel hij de seriële muziek zeer serieus heeft onderzocht, onder andere door privélessen bij Pierre Boulez, zwoer hij toch de atonale muziek – de antitonale muziek, zoals hij zelfs soms zei – uiteindelijk af. Ook de contrapunttechniek van de oude meesters had invloed op zijn stijl van componeren. Als muziektheoreticus gaf Escher vele jaren college aan de universiteit van Utrecht, hoofdzakelijk over muziek van de 20ste eeuw. Hij kreeg vele prijzen voor zijn composities, waaronder de Johan Wagenaarprijs voor zijn complete oeuvre.
De werken die Escher schreef tijdens de tweede wereldoorlog, zijn wellicht zijn aangrijpendste, maar de werken uit de jaren 50 ademen een weergaloze sereniteit en zuiverheid. Zo ook de cyclus Ciel, Air en Vents op drie gedichten van de 16de eeuwse dichter Pierre de Ronsard. In die gedichten wordt de liefde verwoord aan de hand van natuurbeschrijvingen. De canontechniek van Willaert komt hier terug: het eerste deel is een tweestemmige canon en het derde deel weer een dubbelcanon, waarbij nu de vrouwen de mannen nazingen.


Ciel, air et vents - (1957)
poèmes de Pierre de Ronsard

Ode

O Fontaine Bellerie
Belle fontaine cherie
De nos Nymphes, quand ton eau
Les cache au creux de ta source
Fuyantes le Styreau,
Qui les pourchasse à la course
Jusqu’au bord de ton ruisseau,

O bron Bellerie
Mooie godin, bemind
Door de nimfen, wanneer jouw water
Ze verbergt in de diepten waar je ontspringt
Terwijl ze de satyr ontvluchten
Die hen hollend achterna zit
Tot aan de oever van je beek,

Tu es la Nymphe éternelle
De ma terre paternelle:
Pource en ce pré verdelet
Voy ton Poëte qui t’orne
D’un petit chevreau de lait,
A qui l’une et l’autre corne
Sortent du front nouvelet.

Jij bent de eeuwige nimf
Van het land mijns vaders
Daarom staat in deze groene wei
Jouw dichter die je eert
Met een klein geitje
Waarvan allebei de horens
Uit het nieuwe kopje tevoorschijn komen.

L’Este je dors ou repose
Sus ton herbe, où je compose,
Caché sous tes saules vers,
Je ne sçay quoy, qui te gloire
Envoira par l’univers,
Commandant à la Memoire
Que tu vives par mes vers.

Altijd rust ik in de zomer uit
Op jouw gras, waar ik dicht
Verborgen onder jouw groene wilgen
Iets (‘t geeft niet wat) dat jouw glorie
Over de wereld moet verspreiden
En zo de geschiedenis dwingt
Je voort te doen leven door mijn verzen.

L’ardeur de la Canicule
Ton verd rivage ne brule,
Tellement qu’en toutes pars
Ton ombre est espaisse et druë
Aux pasteurs venans des parcs,
Aux bœufs las de la charruë,
Et au bestial espars.

De hitte van de hondsdagen
Verschroeit nooit je groene oevers
want overal
Is je schaduw dicht en aaneengesloten
Voor de herders die van de weiden komen
Voor de ossen die moe zijn van de ploeg
En voor alle verspreide beesten.

Iô! Tu seras sans cesse
Des fontaines la princesse,
Moy celebrant le conduit
Du rocher percé, qui darde
Avec un enrouébruit
L’eau de ta source jazarde
Qui trepillante se suit.

O! Jij zult altijd
Van alle bronnen de uitgelezene zijn
Ik bezing de stroom
it de doorboorde rots, die een weg baant
Met schor geluid
Voor het water van je zingende bron
Dat ruisend voortstroomt.


Chanson

Quand ce beau Printemps je voy,
J’apperçoy
Rajeunir la terre et l’onde,
Et me semble que le jour,
Et l’amour,
Comme enfans naissent au monde.

Als ‘k de fraaie lente aanschouw,
Zie ‘k al gauw
Hoe het water en de aard
En de tijd in nieuw begin
En de min
Weer als kind worden gebaard.

Le jour qui plus beau se fait,
Nous refait
Plus belle et verde la terre,
Et Amour armé de traits
Et d’attraits,
En nos cœurs nous fait la guerre.

Elke dag maakt zich weer mooi,
Biedt ons tooi
Van een fraaier, groener leven
En Amor zendt pijlen uit,
Zoekt z’n buit
En doet onze harten beven.

Il respand de toutes parts
Feux et dards
Et domte sous sa puissance
Hommes, bestes et oiseaux,
et les eaux
Luy rendent obeïssance.

Hij verspreidt langs alle kant
Pijlenbrand
En dicteert eenelk zijn wetten:
Mens of vogel, ieder dier,
Of rivier
Wordt gevangen in zijn netten.

Je sens en ce mois si beau
Le flambeau
D’Amour qui m’eschaufe l’âme,
Y voyant de tout costez
Les beautez
Qu’il emprunte de ma Dame.

Ik voel in die meimaand lauw
De flambouw
Van Amor mijn hart verwarmen
En ik zie hoe schoonheid gloeit
En mij boeit
Aan de Vrouwe in mijn armen.

Quand je voy tant de couleurs
Et de fleurs
Qui esmaillent un rivage,
Je pense voir le beau teint
Qui est peint
Si vermeil en son visage.

Als ik naar de bloemen kijk,
Tintenrijk,
die het landschap overdekken,
Denk ik aan de kleuren die
‘k Glanzen zie
In haar zo geliefde trekken.

Quand je voy les grands rameaux
Des ormeaux
Qui sont lassez de lierre,
Je pense estre pris és las
De ses bras,
Et que mon colle elle serre.

Als ik naar de iepen kijk,
Of de eik,
Die door klimop zijn omvangen,
Dan denk ik, van binnen warm,
Aan haar arm,
Waarin mijn hals zit gevangen.


Quand je voy dans un jardin,
Au matin,
S’esclorre une fleur nouvelle,
J’accompare le bouton
Au teton
De son beau sein qui pommelle.

Bij een bloemknop die zich uit,
Zich ontsluit,
Waarnaar alle vlinders dorsten,
Denk ik aan de tepelhof
Zo vol lof,
Op haar fraai bollende borsten.

Quand je sens parmy les prez
Diaprez
Les fleurs dont la terre est pleine,
Lors je fais croire à mes sens
Que je sens
La douceur de son haleine.

Ruik ik heel die bloemenkeur
En haar geur
Die aarde gans omvademt,
Dan denk ik: ik ruik alleen,
Ongemeen,
De zoetheid waarmee zij ademt.

Je voudrois, au bruit de l’eau
D’un ruisseau,
Desplier ses tresses blondes,
Frizant en auttant de nœus
Ses cheveux,
Que je verrois frizer d’ondes.

Ik wil graag bij ‘t waterlied
Van een vliet
Haar zo blonde vlecht onthullen,
En heur haar dan rond haar hals
Kroezen als
alle golfjes die zich krullen.

Je voudrois, pour la tenir,
Devenir
Dieau de ces forests desertes,
La baisant autant de fois
Qu’en un bois
Il y a de fueilles vertes.

Ook wil ik graag dat het lot
Mij maakt tot
God van ‘t woud met stille zomen,
Haar daar kussen, al met al,
Tot het tal
Van de blaadjes aan de bomen.

Hà! Maistresse, mon soucy,
Vien icy,
Vien contempler la verdure!
Les fleurs de mon amitié
Ont pitié,
Et seule tu n’en as cure.

Oh! Mijn lief, mijn diepst plezier,
Kom toch hier,
Kom en kijk naar lentes wezen!
Elke bloem hier toont met mij
Medelij,
Maar jij wilt mij niet genezen.

Au moins leve un peu tes yeux
Gracieux,
Et voy ces deux colombelles,
Qui font neturellement,
Doucement.
L’amour du bec et des ailes;

Sla toch eens je ogen op,
Zie de krop
Van die beide tortelduiven,
Die daar met getrekkebek,
Vleugelstrek,
Elkaar op de liefde fuiven.


Et nous, sous ombres d’honneur,
Le bon-heur
Trahissons par une crainte:
Les oiseaux sont plus heureux
Amoureux,
Qui font l’amour sans contrainte.

Moeten wij soms om de eer
Telkenkeer
Ons de liefde weer ontzeggen?
Vogels zijn dan in de mei
Veel meer vrij:
Vrijen zonder overleggen!

Toutesfois ne perdons pas
Nos esbats
Pour ces loix tant rigoureuses;
Mais si tu m’en crois, vivons,
et suivons
Les colombes amoureuses.

Laat ons het vrijen niet ontgaan
En voortaan
Vrij zijn van die strenge wetten.
Laten wij ons liefdespad,
Lieve schat,
Naar dat van de duiven zetten.

Pour effacer mon esmoy,
Baise moy,
Rebaise moy, ma Deesse!
Ne laissons passer en vain
Si soudain
Les ans de nostre jeunesse.

Doof mijn opstand met een kus,
Kus me dus!
Kus me nogmaals, mijn vriendinne,
Laat niet zonder deze vreugd
Onze jeugd
Vlug vergaan zonder te minnen.

 

Ciel, air et vents

Ciel, air et vents, plains et monts découvers,
Tertres vineux et forests verdoyantes,
Rivages torts et sources ondoyantes,
Taillis rasez et vous bocages vers,

Antres moussus à demy-front ouvers,
Prez, boutons, fleurs et herbes rousoyantes,
Vallons bossus et plages blondoyantes,
Et vous rochers, les hostes de mes vers,

Puis qu’au partir, rongé de soin et d’ire,
A ce bel œil Adieu je n’ay sceu dire,
Qui pres et loin me detient en esmoy,

Je vous supply, Ciel, air, vents, monts et plaines,
Taillis, forests, rivages et fontaines,
Antres, prez, fleurs, dites-le luy pour moy.

Hemel. Lucht en winden, dalen, kale bergen,
Wijnbergoeide heuvels en fris uitgebotte wouden,
Kronkelige oevers en golvende bronnen,
Kortgesnoeid kreupelhout en gij, groene bosjes,

Bemoste grotten, op halve hoogte open,
Weiden, knoppen, bloemen en roodglanzend gras,
Hobbelige valleitjes en blanke stranden,
En gij, rotsen, ontvangers van mijn verzen,

Omdat zorgen en toorn mij bij mijn vertrek
Beletten afscheid te nemen van die mooie ogen,
Die mij in hun ban houden, van ver en van nabij.

Smeek ik u, hemel, lucht, winden, bergen en dalen,
Kreupelhout, wouden, oevers en wellend water,
Grotten, wei en bloemen: groet gij haar namens mij.