Bachs Bron

Cantates van de jonge Bach en zijn inspiratiebronnen

William Byrd Vocaal Ensemble en het Leids Barok Ensemble, o.l.v. Nico van der Meel. Solisten zijn Niels Berentsen, tenor, en Jan Douwes, bas.
Muziek van J.S. Bach (cantates 4 en 131), Buxtehude, Tunder en Kuhnau.

Zaterdag 28 juni, 20:15 uur
Oude Kerk, Dorpsstraat 59, ZOETERMEER
Zondag 29 juni, 15:00 uur
Lutherse Kerk, Hooglandse Kerkgracht 26, LEIDEN

€17,50 aan de zaal
€ 15,- in de voorverkoop via onze bestelpagina


Bachs Bron

Programma:

Johann Sebastian Bach (1685-1750) Kantate 4 "Christ lag in Todesbanden"
Dietrich Buxtehude (1637-1707) Herzlich lieb hab ich dich, o Herr
Franz Tunder (1614-1667)
Hosianna dem Sohne David
  pauze
Bach/Kuhnau De Gerechte kommt um
Johann Kuhnau (1660-1722) Gott sei mir gnädig
Johann Sebastian Bach Kantate 131 "Aus der Tiefe" 

Bachs Bron

Toen Johann Sebastian Bach (1685-1750) in 1723 cantor werd van de Thomaskirche in Leipzig, wilde hij kerkmuziek maken die paste bij de allure van de stad. Daarbij stond hem de kerkcantate in een moderne vorm voor ogen, met recitatieven en da-capo-aria's. Bach had daarmee al geëxperimenteerd toen hij in Weimar aan het hof verbonden was (1708-1717). De cantates die Bach nog vóór zijn tijd in Weimar had geschreven, sloten veel meer aan bij vroegere vormen: het waren eigenlijk uitgebreide motetten met orkestbegeleiding en vaak met een afwisseling tussen solo- en tutti-gedeelten. Voorbeelden daarvan kon hij vinden bij componisten als Franz Tunder (1614-1667), die op dit gebied in zijn tijd vernieuwend was geweest, Dietrich Buxtehude (1637-1707), Johann Pachelbel (1653-1706), Johann Kuhnau (1660-1722), Bachs directe voorganger als Thomascantor, en vele anderen. Een ander kenmerk van deze vroege cantates was de orkestbezetting: er waren niet alleen twee vioolpartijen – tot op de dag van vandaag nog gebruikelijk bij orkesten – maar ook twee altvioolpartijen. Het is bijzonder dat het Leids Barok Ensemble zo'n bezetting kan leveren! Het resultaat is een vijfstemmig strijkorkest in plaats van het later gebruikelijke vierstemmige. Soms kan dit uitmonden in donker gekleurde begeleiding van solisten, wanneer de akkoordliggingen ingedikt worden. Soms klinkt ook een feestelijke extra instrumentale stem boven het vierstemmig koor uit.

Wie was de jonge Johann Sebastian Bach? De jonge Bach was bovenal leergierig. Geboren in een muzikantenfamilie kreeg hij vioollessen van zijn vader Johann Ambrosius en orgellessen van zijn oom Johann Christoph. Toen hij op 10-jarige leeftijd wees werd, ging hij bij zijn oudere broer Johann Christoph (zelf een leerling van Pachelbel) wonen, die inmiddels stadsorganist was geworden in Ohrdruf. Op 15-jarige leeftijd maakte de jonge Johann Sebastian de reis van 290 km naar Lüneburg, waarschijnlijk te voet. Daar kwam hij aan de kost als sopraan in het “Mettenchor” (wat hem in aanraking bracht met de plaatselijke kerkmuziek), en na zijn stembreuk als violist en klavecinist. Minstens zo belangrijk was de ontmoeting met Georg Böhm, organist in Lüneburg, vriend van de familie Bach, en een componist van naam en faam. Böhm was een leerling van de beroemde Johann Adam Reincken uit Hamburg, en Bach maakte meermalen te voet de reis naar Hamburg om Reincken te horen improviseren.

Bij het aanvaarden van zijn eerste betrekking als organist in Arnstadt (1703-1707) was Bachs leergierigheid nog lang niet gestild. In 1705 legde hij (waarschijnlijk opnieuw te voet) de afstand van 400 km af naar Lübeck om de beroemde Dietrich Buxtehude te horen. Hoewel afgesproken was dat Bach na een maand in Arnstadt terug zou zijn, was hij zo gefascineerd door Buxtehudes muziek dat hij in totaal vier maanden weg bleef (waarbij hij ook Böhm en Reincken opnieuw bezocht), wat hem in Arnstadt op een fikse reprimande kwam te staan.

Wat heeft de jonge Bach op deze reizen gehoord? Ongetwijfeld het beste orgelspel en de beste improvisaties die op dat moment voorhanden waren, voortbouwend op een beroemde traditie (Reincken was een leerling van de beroemde Heinrich Scheidemann, die weer een leerling was van Jan Pieterszoon Sweelinck). Maar ook de vocale en instrumentale kerkmuziek in Lüneburg, Hamburg en Lübeck waren grootser dan alles wat Bach in Thüringen had meegemaakt. Zo zal Bach zeker Buxtehudes “Abend-Musiken” in Lübeck hebben bijgewoond (en mogelijk zelfs als violist in het orkest hebben meegespeeld). Het is niet onwaarschijnlijk dat Bachs langgekoesterde wens van een “regulierte Kirchenmusik” die hij pas veel later in Leipzig zou verwezenlijken, hier geboren is.

In dit programma laten we horen hoe Bachs vroege cantates in de geschiedenis zijn ingebed. Daartoe staat allereerst “Hosianna dem Sohne David” op het programma, een cantate van vernieuwer Franz Tunder. Het is een feestelijk stuk voor Palmzondag, waarin het gejuich van het volk voor Jezus met verve gedemonstreerd wordt. De tekst is letterlijk datgene wat het volk volgens Matteüs riep toen Jezus Jeruzalem binnentrok.

Daarnaast is er een stuk dat Buxtehude schreef voor zijn Abend-Musiken, diensten met veel geestelijke muziek, die in Lübeck in het late najaar werden gehouden.

Het is helemaal niet onwaarschijnlijk dat de jonge Bach bij zijn reis in 1705 in Lübeck “Herzlich lieb hab ich Dich, o Herr”, een heel laat werk van Buxtehude, heeft gehoord, of dat hij daar tenminste de partituur van heeft gezien. Die cantate is een zetting van de drie strofen van een niet al te bekend kerklied van Martin Schalling uit 1569. De eerste strofe klinkt eenstemmig in lange noten door de strijkers heen, de twee andere strofen hebben een vijfstemmige koorzetting. De voorlaatste regel van elke strofe begint met “Herr Jesu Christ” en aan die woorden heeft Buxtehude steeds een bijzondere muzikale kleur gegeven. Opvallend is ook het gebruik van klankeffecten in de strijkers, zoals het tremolo in het tweede deel.
Opmerkelijk is dat Bach in 1723 juist de laatste strofe van dit relatief onbekende lied koos als afsluiting voor zijn Johannes Passion.

Bachs vroegst bekende cantate, “Christ lag in Todesbanden” BWV 4, is eveneens een zetting van alle strofen van een lied, dit keer voor eerste Paasdag. Het lied werd door Maarten Luther in 1524 geschreven op een melodie die was afgeleid van de paassequentie “Victimae paschali laudes”. Zoals “Hos(i)anna” bij Palmzondag hoort, hoort “Halleluja” bij Pasen. En iedere strofe van dit lied eindigt met de uitroep “Halleluja”, door Bach steeds uitgebreid getoonzet. De cantate is hoogstwaarschijnlijk al rond 1707 ontstaan, toen Bach nog organist was in Arnstadt.
Na een instrumentale sinfonia vormen de strofen van het lied een symmetrisch patroon: ze klinken als koorzetting, duet, aria, koorzetting, aria, duet en slotkoraal. In onze uitvoering hoort u de beide duetten helaas niet. De beide aria's (hoewel niet in da-capo-vorm) en het slotkoraal wijzen al vooruit naar latere cantates.

Ergens in de jaren 1730 moet Bach “Der Gerechte kömmt um” hebben gemaakt, maar precieze gegevens over het ontstaan van dit stuk ontbreken. Uitgangspunt was een motet “Tristis est anima mea” van Bachs voorganger Kuhnau. Aan dit motet voegde Bach een zelfstandige instrumentale bas, een strijkorkest en twee hobo's toe, en hij breidde de vorm uit met een kort voorspel en een tussenspel. De tekst werd vervangen door twee verzen uit Jesaja, die liturgisch op Goede Vrijdag thuishoorde, net als de oorspronkelijk tekst. Overigens worden er bij de toeschrijving van het oorspronkelijke motet aan Kuhnau door musicologen de nodige vraagtekens geplaatst.

Zeker wél van Kuhnau is “Gott, sei mir gnädig”. Het is een zetting van de verzen 3, 6, 7, 9 en 10 van Psalm 51. Het volgt geheel het stramien van de oude cantate: homofone delen waarin soms solistische voorzang een beantwoording van het koor uitlokt, wisselen fugatische delen af. Tussendoor klinkt nog een ouderwets aandoend kort recitatief. Hoewel de muziek wonderschoon is, maakt de vorm duidelijk waarom Bach Leipzig een eigentijdse kerkmuziek gunde.

Bachs “Aus der Tiefen rufe ich, Herr, zu dir”, BWV 131, is een zetting van Psalm 130, onberijmd, in de vertaling van Maarten Luther. Ook hier is weer sprake van een symmetrische vorm: koor, aria met cantus firmus, koor, aria met cantus firmus, koor. De twee cantus firmi vormen een tekstueel contrapunt met de psalmtekst; het zijn twee strofen uit het lied “Herr Jesu Christ, du höchtes Gut” van Bartholomäus Ringwalt uit 1588. Toen Bach deze cantate schreef, was hij organist in Mühlhausen. Het is waarschijnlijk (hoewel niet helemaal zeker) dat de cantate geschreven is voor een dienst naar aanleiding van de grote brand die eerder dat jaar een aanzienlijk deel van Mühlhausen in de as had gelegd. Bach was hooguit 23 jaar oud toen hij deze cantate schreef, maar wat een indrukwekkend werk leverde hij af! Ook in deze cantate horen we een voorzichtige poging tot vernieuwing van de vorm: Bach gebruikt een vierstemmig strijkorkest. Maar van de dubbele altvioolpartij kon hij nog geen afstand doen en zo blijft er een enkele vioolpartij over.



Nico van der Meel