Flyer Passio

Passio

Passies uit de 16e eeuw

Onder de titel 'Passio' voert het Leidse William Byrd Vocaal Ensemble passiemuziek uit van de 16e en vroeg-17e eeuw. Centraal staat een dramatische, driedelige passie van Jacob Obrecht (ca. 1500) waarvan het koor de zesstemmige versie zingt. De delen worden omlijst met een Stabat Mater van Orlando di Lasso en motetten van onder andere Gesualdo, waarin de emotionele mogelijkheden van de 16de-eeuwse schrijfwijze tot de uiterste grens worden verkend.

Het WBVE staat onder leiding van Nico van der Meel, die zelf internationaal grote faam geniet voor zijn vertolkingen van de evangelistenpartij in de Passionen van J.S. Bach.

Passio Domini nostri Jesu Christi


“Passio Domini nostri Jesu Christi secundum Matthaeum” (Het lijden van onze heer Jezus Christus volgens Matteüs): zo klinkt het aan het begin van de passie van Jacob Obrecht (ca. 1450–1505). Maar dat blijkt al snel een rare aankondiging te zijn, want het verhaal dat in deze passie verteld wordt, gaat hink-stap-springend door de lijdensverhalen van de vier evangelisten heen. De passie is rond 1500 geschreven. Uit de grote hoeveelheid stemmen en partituren die is overgeleverd (en uit geschriften uit die tijd) blijkt dat zij in de 16de eeuw vaak is uitgevoerd en als voorbeeld heeft gediend voor componisten als Rore, Regnart, Gallus-Handl en Lechner. Er bestaan twee versies van deze passie, een vierstemmige en een zesstemmige. Op dit concert hoort u de zesstemmige versie.

De passie is geschreven in motetvorm. Obrecht was een van de eersten die deze vorm op het passieverhaal toepaste. Traditioneel werd het passieverhaal in de liturgie eenstemmig gezongen, reciterend op een toon, met melodische wendingen aan het eind van zinnen. Daar waren dan wel drie zangers bij betrokken: een tenor zong het verhaal, maar de woorden van Jezus werden door een lagere stem gezongen en de woorden van de andere personen in het verhaal juist door een hogere stem. Ondanks de motetvorm klinkt dat principe in deze passie nog door, want vrijwel steeds is er één stem die dat reciteren in de vorm van een cantus firmus op zich neemt. En inderdaad is de verteller meestal in een tenorpartij aan het woord; de woorden van Jezus liggen in de bas en de woorden van andere personen hoog in een tenorpartij of in een hogere partij.

De passie valt in drie delen uiteen. Het eerste deel gaat over het verraad van Judas en de gevangenneming van Jezus. Hier wordt nog wel hoofdzakelijk het verhaal van Matteüs gevolgd, met een aantal kleine uitstapjes naar het verhaal van Marcus. Maar Obrecht kon het kennelijk niet laten de vraag van Jezus uit het verhaal van Lucas in te voegen: “Judas, verraad je de Mensenzoon met een kus?” Dat klinkt heel wat dramatischer dan wat er bij Matteüs staat: “Vriend, waarom ben je hier gekomen?”
Drama is er ook volop in het tweede deel. Daarin staat de dialoog tussen Pilatus en het Joodse volk centraal. Door de vele toonherhalingen in alle stemmen klinkt het “Kruisigt hem!” tot tweemaal toe bijna schreeuwend. En wanneer Jezus uiteindelijk gekruisigd wordt, zijn er juist plotseling verstilde momenten, waardoor de luisteraar op zijn eigen gedachten wordt teruggeworpen.
In het derde deel krijgen we de zeven kruiswoorden te horen, de zeven uitspraken van Jezus terwijl hij aan het kruis hangt. Om die op te kunnen sommen moet Obrecht natuurlijk ook alle vier de evangelisten aan het woord laten. Na het sterven van Jezus klinkt nog een kort gebed en daarmee eindigt de passie.

De indruk die deze passie in de vroege 16de eeuw gemaakt moet hebben, is voor ons moeilijk voor te stellen. Wij zijn zo gewend aan allerlei sterk emotionerende muziek om ons heen, dat een 16de-eeuwer ons ongetwijfeld als totaal afgestompt zou beschouwen. Als iemand in de 16de eeuw één keer in zijn leven zesstemmige muziek hoorde, had hij geluk; dan had hij een stuk van de hemel ervaren.
In de loop van de 16de eeuw wordt de belangstelling voor menselijke emotie steeds groter en worden de uitdrukkingsmiddelen van componisten talrijker. Obrecht is duidelijk op zoek naar drama, maar hij slaat rustig de verloochening door Petrus als onbelangrijke zijsprong in het verhaal over. Dat zou aan het eind van die eeuw onmogelijk zijn! Om dit contrast voelbaar te maken, hebben we de delen van de passie omgeven met latere motetten, zelfs met enkele motetten uit de vroege 17de eeuw, waarin de emotionele mogelijkheden van de 16de-eeuwse schrijfwijze tot de uiterste grens worden verkend. Zo laten we na het eerste deel van Obrechts passie twee responsoria voor Witte Donderdag uit 1611 horen van Don Carlo Gesualdo, prins van Venosa (1560–1613). Hierin wordt vol gloed het verraad van Judas en de gevangenneming van Jezus becommentarieerd. Gesualdo gebruikt voor die tijd uiterst gecompliceerde ritmiek en extreme chromatiek om de emoties uit te drukken. Op dezelfde lijn zit de Siciliaanse componist Sigismondo d'India (1582–1629), van wie we een zetting van de psalmtekst Timor et tremor (angst en beven) uit zijn bundel Liber secundus sacrorum concentuum (1610) zingen.

Tussen het tweede en derde deel van de passie klinkt het Stabat Mater, een 13de-eeuws gedicht waarin verteld wordt over het verdriet van Maria, staande bij het kruis waaraan haar zoon hangt, maar waarin het ook gaat over het mystieke meelijden met Jezus en Maria. We gebruiken een dubbelkorige zetting uit 1585 van Orlando di Lasso (1532–1594).

Het concert wordt ingeleid met twee motetten van Spaanse meesters in een rustiger, typisch midden-16de-eeuwse stijl: O Crux, ave, spes unica van Cristóbal de Morales (ca. 1500–1553) en O Domine Jesu Christe van Tomás Luis de Victoria (ca. 1548–1611). Dat laatste motet hoort eigenlijk thuis op Hemelvaartsdag, maar werd ook wel op Palmzondag gezongen.

Als afsluiting klinken nog drie motetten. Plangent eum quasi unigenitum van de Vlaamse componist Alexander Utendal (ca. 1544–1581) bezingt de wenende vrouwen bij het graf van Jezus. Jerusalem, surge uit de responsoria voor Stille Zaterdag laat nog eens horen wat een geniale componist Gesualdo was.
Tot slot klinkt een eenvoudige vierstemmige zetting van het gebed Ecce quomodo moritur justus van de hand van Jacob Gallus-Handl (1550–1591). Dit stuk heeft een bijzondere geschiedenis: het werd in Leipzig op Goede Vrijdag direct na de passiemuziek gezongen, jaar in jaar uit, tot in Bachs tijd! Alle uitvoeringen van de Johannes of Matthäus Passion door Bach zelf werden dus direct gevolgd door dit eenvoudige motet. Ook weer iets dat wij ons maar met moeite kunnen voorstellen...

Nico van der Meel