Bleib bei uns

Bleib bei uns

William Byrd Vocaal Ensemble o.l.v. Nico van der Meel

Programma

Joseph Rheinberger: Abendlied
Max Reger: Der Mensch lebt und bestehet nur eine kleine Zeit
Hugo Wolf: Resignation
Johannes Brahms: Nachtwache II
Max Reger: Nachtlied

Szokolay Sándor: Missa Pannonica, op. 96

pauze

Edward Elgar: Selection of partsongs

 
Maurice Ravel: Trois Chansons, op. 69

Met dit programma “Bleib bei uns” neemt ons lid Claudia Sternberg na bijna 25 jaar afscheid van ons koor. Aan haar hebben we gevraagd suggesties te doen voor een deel van het programma en dat heeft geresulteerd in een blok met koorliederen van de Duitse romantische componisten Joseph Rheinberger, Max Reger, Hugo Wolf en Johannes Brahms. Vrijwel al deze liederen zijn avond- of nachtliederen. Ze zijn doortrokken van de gedachte aan vergankelijkheid, en van troost. Een prachtig thema bij zo'n afscheid!

Joseph Rheinberger

Abendlied

op. 69, nr. 3 (Luc. 24:29)

Bleib bei uns, denn es will Abend werden, und der Tag hat sich geneiget.

Blijf bij ons, want het loopt tegen de avond en de dag is reeds gedaald.



Max Reger

Der Mensch lebt und bestehet nur eine kleine Zeit
op. 138, nr. 1 (Matthias Claudius)

Der Mensch lebt und bestehet

Nur eine kleine Zeit;

Und alle Welt vergehet

Mit ihrer Herrlichkeit.

Es ist nur Einer ewig und an allen Enden,

Und wir in Seinen Händen.

Und der ist allwißend, Halleluja!

Und der ist heilig, Halleluja!

Und der ist allmächtig, Halleluja!

Ist barmherzig. Halleluja! Amen!

Ehre Seinem großen Namen!

Halleluja! Amen!

De mens leeft en bestaat slechts korte tijd.

En de hele wereld vergaat met al haar heerlijkheid.

Slechts één is er eeuwig tot het eind der tijden,

en wij zijn in zijn handen.

En die is alwetend, halleluja!

En die is heilig, halleluja!

En die is almachtig, halleluja!

Is barmhartig. Halleljia, amen!

Eert zijn grote naam!

Halleluja, amen!

 

Hugo Wolf

Resignation

(uit: Sechs geistliche Lieder nach Gedichten von Eichendorff)

Komm, Trost der Welt, du stille Nacht!
Wie steigst du von den Bergen sacht, 
die Lüfte alle schlafen; 
ein Schiffer nur noch, wandermüd, 
singt übers Meer sein Abendlied 
zu Gottes Lob im Hafen.

Kom, troost der wereld, jij stille nacht!
Zo zacht stijg je uit de bergen op,
Alle luchten slapen;
Slechts een enkele schipper, moe van het reizen, zingt over de zee zijn avondlied 
tot lof van God in de haven.

 

Die Jahre wie die Wolken geh’n 
und lassen mich hier einsam steh’n,
Die Welt hat mich vergessen.
Da trat’st du wunderbar zu mir, 
als ich beim Waldesrauschen hier 
gedankenvoll gesessen.

De jaren vervliegen als wolken
En laten mij hier eenzaam achter,
De wereld is mij vergeten!
Daar kwam jij als een wonder tot mij,
Terwijl ik, bij het ruisen van het bos, 
Hier in gedachten verzonken zat.

O Trost der Welt, du stille Nacht!
Der Tag hat mich so müd gemacht,
Das weite Meer schon dunkelt;
Lass’ ausruh’n mich von Lust und Not,
Bis daß das ew’ge Morgenrot 
den stillen Wald durchfunkelt.

O troost der wereld, jij stille nacht!
De dag heeft mij zo moe gemaakt,
De wijde zee wordt al donker,
Laat me rusten van vermaak en gebrek,
Totdat het eeuwige morgenrood,
Door het stille woud schittert.

 

 

Johannes Brahms

Nachtwache II

op. 104, nr. 2 (Friedrich Rückert)

Ruh'n sie?

rufet das Horn des Wächters drüben aus Westen,

Und aus Osten das Horn rufet entgegen:

Sie ruh'n!

Hörst du, zagendes Herz,

die flüsternden Stimmen der Engel?

Lösche die Lampe getrost,

hülle in Frieden dich ein.

Alles rustig?

roept de hoorn van de wacht daar in het westen,

en uit het oosten roept de hoorn terug:

Alles rustig!

Hoor je, angstig hart,

de fluisterende stemmen van de engelen?

Doof de lamp gerust,

hul je in vrede.

[Rein de Vries]


Max Reger

Nachtlied

op. 138, nr. 3 (Petrus Herbert)

Die Nacht ist kommen,

drin wir ruhen sollen;

Gott walt zu Frommen

nach sein'm Wohlgefallen,

daß wir uns legen

in sein'm Gleit und Segen,

der Ruh' zu pflegen.

 

De nacht is gevallen

waarin we moeten rusten;

God waakt over ons

in zijn barmhartigheid,

opdat wij ons neervlijen

en onder zijn zorg en zegen

kunnen rusten.

 

Treib, Herr, von uns fern

die unreinen Geister,

halt die Nachtwach' gern,

sei selbst unser Schützherr!

Schirm beid', Leib und Seel',

unter deine Flügel,

send' uns dein' Engel.

 

Heer, verjaag de boze geesten

verre van ons,

houd de wacht,

wees onze beschermer!

Bescherm zowel lichaam als geest

onder uw vleugels,

zend ons uw engelen.

 

Laß uns einschlafen

mit guten Gedanken

fröhlich aufwachen

und von dir nicht wanken,

laß uns mit Züchten unser Tun

und Dichten zu dein'm Preis richten.

 

Laat ons inslapen

met goede gedachten

vrolijk ontwaken

en niet aan u twijfelen,

laat ons met tucht onze woorden en daden

tot uw eer zijn.

 

 

 

 

Sándor Szokolay werd in 1931 geboren in Kunágota, Hongarije. Hij studeerde aan de Frans Lisztacademie in Boedapest, waar hij later zelf lesgaf van 1959 tot aan zijn pensionering in 1994. Na zijn pensionering woonde en werkte hij in Sopron aan de Oostenrijks-Hongaarse grens, tot aan zijn dood in 2013. Szokolay was voorzitter van de Kodály Society, een organisatie die zich inzet voor muziekeducatie en die zingen ziet als essentieel onderdeel van die educatie. In het Hongaarse muziekleven werd Szokolay een beetje gezien als “Einzelgänger”, als iemand die componeerde zoals het hem goeddocht en die zich weinig gelegen liet liggen aan de heersende mode. De twaalftoonstechniek is zijn voornaamste werkvorm geweest, maar hij beheerste vele stijlen van componeren. Ook heeft hij zich met veel succes op zeer uiteenlopende genres geworpen: opera's, balletten, orkestwerken, oratoria, cantates, liederen, kamermuziek en – uiteraard – koorwerken. Hoewel zijn naam buiten Hongarije niet erg bekend is, ontving hij voor zijn composities een flink aantal internationale prijzen.

 

De Missa Pannonica, opus 96, schreef Szokolay in 1987. Pannonia was een provincie van het Romeinse rijk, ongeveer op de plaats waar nu Hongarije ligt. Missa Pannonica betekent dus Hongaarse Mis, op de manier zoals Missa Batava Nederlandse Mis zou betekenen. De volksmuziek speelt dan ook een flinke rol in deze mis, vooral in de vorm van op de Hongaarse volksmuziek geïnspireerde melodische versieringen. Deze versieringen zijn door Szokolay in precieze ritmes genoteerd, wat een buitengewoon complex notenbeeld oplevert. De tekstplaatsingen komen ons West-Europeanen regelmatig vreemd voor, hetgeen nog een extra moeilijkheid oplevert voor de zangers.
Van atonaliteit is er in het geheel geen sprake; de basis van de muziek lijkt eerder gelegen in de oude kerktoonsoorten. Niet alleen hierdoor, maar ook door de architectuur van het stuk, doet deze mis soms denken aan vijftiende-eeuwse muziek: ieder stukje tekst krijgt van Szokolay een eigen muziekje. De mis lijkt een aaneenschakeling van kleine kapelletjes die samen toch een groot bouwwerk blijken te vormen. Zo nu en dan optredende kleine imitatorische gedeelten maken de reminiscentie compleet. Het Hongaarse Tomkins Vocaal Ensemble, waaraan de Missa Pannonica is opgedragen, moet zich op een vreemde manier erg thuis hebben gevoeld.

 

Hoe het ook zij, de Missa Pannonica heeft een geheel eigen stijl, die zelfs onvergelijkbaar is met die van andere koorwerken van Szokolay. Ondanks de oriëntering op oude muziek zit het werk vol met grote contrasten in dynamiek, kleur en tempo. Opvallend is ook de grote stemomvang: hoge sopraanpartijen worden gecombineerd met heel lage baspartijen. Deze omvang maakt het mogelijk dat op sommige plekken in Sanctus en Agnus Dei driestemmige muziek tegelijkertijd in drie verschillende octaven gezongen wordt. Een buitengewoon effect!

Ontegenzeggelijk is de Missa Pannonica doortrokken van een diep religieus gevoel. Niet voor niets is het opgedragen aan pater Richárd [Korzenszky], toen rector van het gymnasium van het benedictijnenklooster in Pannonhalma, ter herinnering aan bijeenkomsten onder het motto “Ecce Homo”. (Deze abdij en de bijbehorende basiliek hebben een speciale rol in de geschiedenis van Hongarije gespeeld. De plaatsnaam betekent zoiets als Pannoniëberg.) Toch is het voor mij heel duidelijk dat dit stuk niet in de eerste plaats bedoeld is voor liturgisch gebruik. Dat zou voor Szokolay ook opmerkelijk zijn geweest, want hij had een evangelisch-lutherse achtergrond. De complexiteit en de lengte maken deze mis voor kerkelijk gebruik al niet echt praktisch, maar de aanduiding attacca aan het eind van ieder deel maakt zonder meer duidelijk dat dit werk in de eerste plaats gezien moet worden als religieus concertstuk, zoals de Hohe Messe van Bach, de Messe van de overtuigde protestant Hindemith of de Missa Solemnis van Beethoven.

 

Aan het eind van iedere mis klinkt de tekst “Dona nobis pacem” [Geef ons vrede]. Opvallend is hoe vaak deze tekst in de Missa Pannonica herhaald wordt en daarbij steeds van kleur verandert. De roep om vrijheid van de Hongaren, twee jaar voordat het afbrokkelen van het IJzeren Gordijn zou beginnen, klinkt er luid en duidelijk in door.

 


Szokolay Sándor

Missa Pannonica

op. 96

 

Kyrie

Kyrie eleison.

Christe eleison.         

Kyrie eleison.

Heer, ontferm U over ons.

Christus, ontferm U over ons.

Heer, ontferm U over ons.

 

 

Gloria

Gloria in excelsis Deo.

Et in terra pax hominibus
bonae voluntatis.

Laudamus te, benedicimus te,
adoramus te, glorificamus te.

Gratias agimus tibi
propter magnam gloriam tuam.

Domine Deus, Rex coelestis,
Deus Pater omnipotens.

Domine Fili unigenite Jesu Christe.

Domine Deus, Agnus Dei, Filius Patris.

Qui tollis peccata mundi,
miserere nobis.

Suscipe deprecationem nostram.

Qui sedes ad dextram Patris,
O miserere nobis.

Quoniam tu solus Sanctus,
tu solus Dominus, tu solus Altissimus,
Jesu Christe.

Cum Sancto Spiritu in gloria Dei Patris.

Amen.

Eer zij God in den hoge

En vrede op aarde aan de mensen
van goede wil.
Wij loven U, wij zegenen U,
wij aanbidden U, wij verheerlijken U.

Wij danken U
om Uw grote heerlijkheid.

Heer God, hemelse Koning,
God almachtige Vader.

Heer, eniggeboren Zoon, Jezus Christus.

Heer God, Lam Gods, Zoon van der Vader.

Gij die de zonden der wereld wegneemt, ontferm U over ons.

Ontvang onze smeekbede.

Gij die zit aan de rechterhand van de Vader, ontferm U over ons.

Want alleen U bent heilig,
U alleen Heer, U alleen de Allerhoogste, Jezus Christus.

Met de Heilige Geest, in de glorie van God de Vader. Amen.

 

 


 

Credo

Credo in unum Deum;
Patrem omnipotentem,
factorem coeli et terrae,
visibilium omnium et invisibilium.

Et in unum Dominum Jesum Christum, Filium Dei unigenitum,
et ex Patre natum ante omnia saecula.

Deum de Deo, lumen de lumine,
Deum verum de Deo vero,
genitum non factum,
consubstantialem Patri:
per quem omnia facta sunt.

Qui propter nos homines, et propter nostram salutem descendit de coelis.

Et incarnatus est de Spiritu Sancto
ex Maria Virgine:
et homo factus est.

Crucifixus etiam pro nobis
sub Pontio Pilato,
passus et sepultus est.

Et resurrexit tertia die
secundum Scripturas.

Et ascendit in coelum:
sedet ad dexteram Patris.

Et iterum venturus est cum gloria, judicare vivos et mortuos:
cujus regni non erit finis.

Credo in Spiritum Sanctum, Dominum, et vivificantem:
qui ex Patre Filioque procedit.

Qui cum Patre et Filio simul adoratur et conglorificatur:
qui locutus est per Prophetas.

Credo in unam sanctam catholicam et apostolicam Ecclesiam.

Confiteor unum baptisma, in remissionem peccatorum.

Et expecto resurrectionem mortuorum et vitam venturi saeculi. Amen.

Ik geloof in één God,
de Almachtige Vader,
Schepper van hemel en aarde,
van alle zichtbare en onzichtbare dingen.

En in één Heer, Jezus Christus,
de eniggeboren Zoon van God,
uit de Vader geboren vóór alle eeuwen.

God van God, licht uit licht,
waarlijke God van de waarlijke God.
Geboren en niet gemaakt,
één van wezen met de Vader,
door wie alles gemaakt is.

Die om ons mensen en om onze redding uit de hemel is nedergedaald.

En Hij is vleesgeworden uit de Heilige Geest en de Maagd Maria:
en Hij is mens geworden.

Hij is zelfs voor ons gekruisigd onder Pontius Pilatus, heeft geleden en is begraven.

En op de derde dag is hij opgestaan, overeenkomstig de schriften.

Hij is opgevaren ten hemel: waar hij zetelt aan de rechterhand des Vaders.

En hij zal wederkeren met heerlijkheid om te oordelen de levenden en de doden;
en zijn heerschappij zal geen einde kennen.

Ik geloof in de Heilige Geest, de Heer en levensbrenger:
Die uit de Vader en de Zoon voortkomt.

Die met de Vader en de Zoon tezamen wordt aanbeden en verheerlijkt:
die aangekondigd is door de Profeten.

En ik geloof in één heilige, algemene en apostolische kerk.

Ik belijd één doop ter vergeving van de zonden.

En ik verwacht de wederopstanding der doden, en het eeuwige leven.

 

 

Sanctus

Sanctus, sanctus, sanctus,
Dominus Deus Sabaoth.

Pleni sunt coeli et terra gloria tua.

Hosanna in excelsis.

Benedictus qui venit in nomine Domini,

Hosanna in excelsis.

Heilig, heilig, heilig,
de heer der hemelse machten.

Vol zijn hemel en aarde van Uw heerlijkheid.

Hosanna in den hoge.

Gezegend is hij die komt in de naam des Heren. Hosanna in den hoge.

 

 

Agnus Dei

Agnus dei, qui tollis peccata mundi: miserere nobis.

Agnus dei, qui tollis peccata mundi: dona nobis pacem.

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm U over ons.

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, geef ons vrede.

 

 

 

 

 

 

 

pauze

 

 

 

 

 

We kennen Edward Elgar (1857-1934) hoofdzakelijk als componist van orkestwerken. Van zijn koorwerken zijn de religieuze werken – veelal met orgel – nog het bekendst, maar hij schreef ook wereldlijke meerstemmige liederen in navolging van Engelse romantische componisten als Perry en Stanford. Door zijn orkestrale manier van denken groeit de vorm van Elgars liederen enorm ten opzichte van die van zijn voorgangers. Divisies van stemgroepen zijn natuurlijk niet van de lucht, maar ook juist het ongebruikelijk samenvoegen van verschillende stemgroepen om een melodie uit te laten komen, is een middel dat Elgar veelvuldig inzet. Soms sluit hij aan bij de buitengewoon effectieve stijl waarin hij religieuze werken componeerde; Go song of mine is daar een mooi voorbeeld van. Maar hij haalt ook ongelofelijke kunststukken uit, zoals in There is sweet music; hier laat hij het mannenkoor in G majeur zingen, terwijl het vrouwenkoor in As majeur zingt.

Wellicht is het te danken aan het feit dat Elgar autodidact was, dat hij zich vrij voelde een heel eigen dimensie aan het genre toe te voegen. Elgar had in de periode 1900-1907 maar liefst zeven eredoctoraten gekregen en was in de adelstand verheven. Dit ongekende maatschappelijke succes zal eveneens hebben bijgedragen aan zijn vrijheid van componeren. De liederen op dit programma stammen uit de periode 1907-1914. Elgar koos in deze periode teksten uit heel verschillende bron: de 17de-eeuwse dichter Henry Vaughan naast de romantische dichters Shelley, Byron en Tennyson, Rosa Newmarch' vertalingen van de Russische dichters Minski en Majkov naast een vertaling van een gedicht van de Italiaan Cavalcanti, en een grafschrift van onbekende oorsprong. Overheersend in deze teksten is het gevoel van nietigheid, van vergankelijkheid.

 


Edward Elgar

Selection of partsongs

 

The shower

op. 71, nr. 1 (Henry Vaughan)

 

Cloud, if as thou dost melt,

and with thy train of drops

make soft the earth,

my eyes could weep

o'er my hard heart,

that's bound up and asleep;

Perhaps at last,

Some such showers past,

My God would give

a sunshine after rain.

Wolk, als jij smelt
en met je stroom van druppels
de aarde verzacht,

dan zouden mijn ogen kunnen wenen

over mijn wrede hart,
dat gesloten is en slaapt.

Misschien dat ten slotte,
na nog wat meer van deze buien,

mijn God mij zonneschijn
na regen schenkt.

 


The Fountain

op. 71, nr. 2 (Henry Vaughan)

 

The unthrift sun shot vital gold,

A thousand pieces;

And heav'n its azure did unfold

Chequer'd with snowy fleeces;

 

De zon strooide kwistig duizenden stukken stralend goud,

en de hemel ontvouwde haar azuurblauw,

Bezaaid met witte schapewolken.

The air was all in spice,

And ev'ry bush

A garland wore: thus fed my eyes,

But all the Ear lay hush.

 

De lucht geurde pittig

en elke struik droeg een bloemenkrans:

een feest voor mijn ogen,

Maar in mijn oor heerste stilte.

Only a little fountain lent

Some use for ears,

And on the dumb shades language spent,

The music of her tears.

 

Alleen een kleine fontein gaf

mijn oren enig voedsel,

en deed de stomme schaduwe
 spreken,

met de muziek van haar tranen.

Go, song of mine

op. 57 (Guido Calvacanti / D.G. Rosetti)

 

Dishevell'd and in tears, go, song of mine,

 To break the hardness of the heart of man:

 Say how his life began

 From dust, and in that dust doth sink supine:

 Yet, say, th'unerring spirit of grief shall guide

 His soul, being purified,

 To seek its Maker at the heav'nly shrine.

Ga, mijn lied, verward en in tranen, om de hardheid van het menselijk hart te breken: zeg hem hoe zijn leven begon
uit stof, en in dat stof weer moet
neerzinken:

Maar zeg ook dat de niet-falende geest van het verdriet zijn ziel zal leiden, zodat deze gezuiverd wordt om zijn schepper te zoeken in de hemelse schrijn.

 

 

 

Owls,

op. 53, nr. 4  (an epitaph)

 

What is that? ... Nothing;

The leaves must fall, and falling, rustle;

That is all:

They are dead

As they fall, -

Dead at the foot of the tree;

All that can be is said.

What is it? ... Nothing.

 

What is that? ... Nothing;

A wild thing hurt but mourns in the night,

And it cries

In its dread,

Till it lies

Dead at the foot of the tree;

All that can be is said.

What is it? ... Nothing.

 

What is that? ... Ah!

A marching slow of unseen feet,

That is all:

But a bier, spread

With a pall,

Is now at the foot of the tree;

All that could be is said.

Is it ... what? ... Nothing.

 

Wat is dat? … niets;

De bladeren moeten vallen en ze ruisen in hun val; dat is alles:

Ze zijn dood

Als ze vallen,

Dood aan de voet van de boom;

Alles wat gezegd kan worden, is gezegd.

Wat is het? … niets.

 

Wat is dat? … niets;

Slechts een wild gewond wezen jammert in de nacht en het roept

In zijn vrees,

Totdat het terneerligt,

Dood aan de voet van de boom;

Alles wat gezegd kan worden, is gezegd.

Wat is het? … niets.

 

Wat is dat? …aha!

Een langzame mars van onzichtbare voeten, dat is alles:

Maar een baar, bedekt

Met een lijkkleed,

Staat nu aan de voet van de boom;

Alles wat gezegd kan worden, is gezegd.

Is het … wat? … niets.

 

 

 

 

There is sweet music

op. 53, nr. 1 (Tennyson)

 

There is sweet music here that softer falls

Than petals from blown roses on the grass,

Or night-dews on still waters between walls

Of shadowy granite, in a gleaming pass;

Music that gentlier on the spirit lies,

Than tir'd eyelids upon tir'd eyes;

Music that brings sweet sleep down from the blissful skies.

Here are cool mosses deep,

And thro' the moss the ivies creep,

And in the stream the long-leaved flowers weep,

And from the craggy ledge the poppy hangs in sleep.

Er is zoete muziek hier die zachter neerdaalt dan bloemblaadjes van verwaaide rozen op het gras, of nachtdauw op stille wateren tussen muren van schaduwrijk graniet in een glanzende pas;

Muziek die zachter op de geest rust

Dan vermoeide oogleden op vermoeide ogen;

Muziek die vanuit gelukzalige hemelen een zoete slaap doet neerdalen.

Hier zijn koele, diepe mossen

En door het mos slingert de klimop,

En in de beek wenen de langbladige bloemen

 

En van de steile richels hangen de klaprozen te slapen.

 


Death on the Hills

op. 72 (Rosa Newmarch)

 

Why o'er the darkning hill-slopes

Do dusky shadows creep?

Because the wind blows keenly there,

Or rainstorms lash and leap?

Waarom kruipen er schimmige schaduwen over de duistere hellingen? Is het omdat er een snijdende wind staat of de regen neerstriemt?

No wind blows chill upon them,

Nor are they lash'd by rain:

'Tis Death who rides across the hills

With all his shadowy train.

Noch ijskoude wind, noch striemende regen teisteren het land:

het is de Dood die over de heuvels trekt met zijn schimmige gevolg.

The old bring up the cortege,

In front the young folk ride,

And on Death's saddle in a row

The babes sit side by side.

Voorop in de rouwstoet rijdt het jonge volk, dan volgen de ouderen, en in het zadel van de Dood zitten de allerjongsten naast elkaar.

The young folk lift their voices,

The old folk plead with Death:

"O let us take the village-road,

Or by the brook draw breath.

De jeugd verheft zijn stem,
de ouderen smeken de Dood:
”O, laten we toch de dorpsweg nemen,
of bij de beek even stoppen,

There let the old drink water,

There let the young folk play,

And let the little children

Run and pluck the blossoms gay."

zodat de ouden wat kunnen drinken en de jeugd wat kan spelen.
Laat de kleintjes rennen en bloemen plukken”

(Death speaks)

"I must not pass the village

Nor halt beside the rill,

For there the wives and mothers all

Their buckets take to fill.

The wife might see her husband,

The mother see her son.

So close they’d cling their claspings

Could never be undone.

(De Dood spreekt)

Niet door het dorp voert mijn weg,
ook het beekje ligt niet op mijn route
 want daar vullen de vrouwen en moeders hun emmers.
De vrouw zou wellicht haar echtgenoot zien en de moeder haar zoon. Zij zouden zich na hun heftige omhelzingen nooit meer laten scheiden.

 


Love's tempest

op. 73, nr.1 (Rosa Newmarch)

 

Silent lay the sapphire ocean,

Till a tempest came to wake

All its roaring, seething billows

That upon earth's ramparts break.

 

Stil lag de saffierblauwe oceaan

Totdat een storm al zijn brullende,

schuimende golven deed ontwaken,

die op de muren van de vaste wal braken.

Quiet was my heart within me,

Till your image, suddenly

Rising there, awoke a tumult

Wilder than the storm at sea.

 

Mijn hart was stil in mij

tot jouw beeld plotseling

voor mijn geest verscheen en een opwinding bracht,

wilder dan de storm op zee.

 

 

 


Maurice Ravel (1875-1937) schreef zijn Trois Chansons aan het begin van de Eerste Wereldoorlog. Het werk neemt een bijzondere plaats in het oeuvre van Ravel in, niet alleen omdat het zijn enige werk voor a-capellakoor is, maar ook omdat hij zelf de teksten schreef.


Ravel had zich herhaaldelijk als vrijwilliger aangemeld voor militaire dienst, maar werd vanwege zijn tengere gestalte steeds afgekeurd. Zijn nationalistische gevoelens van dat moment hebben zeker meegespeeld bij het schrijven van de Trois Chansons.
Uiteindelijk zou hij via het Rode Kruis een kortdurende en weinig succesvolle bijdrage aan de oorlog mogen leveren. De herinneringen aan deze periode hebben Ravel nog lang parten gespeeld.

Eerst schreef Ravel het middelste lied van de cyclus. Daarin wordt de Franse nationale driekleur – blauw, wit, rood – in de vorm van drie paradijsvogels ten tonele gevoerd. De boodschap die zij van het front naar een thuis achtergebleven meisje met zich meebrengen, wordt niet expliciet uitgesproken, maar doet de ontvangster huiveren.
Om dit lied heen plaatst Ravel twee luchtiger liederen. Nicolette lijkt wel een volksliedje, ook door het enigszins archaïsche woordgebruik. Het thema komt veel voor in oude volksmuziek: liever een rijke ouwe vent, dan een mooie jonge kerel, waar je op den duur toch niet van op aankunt. Het verhaal van Roodkapje komt ook nog even voorzichtig om de hoek kijken.
De Franse taal heeft ongelofelijk veel woorden voor spookachtige en anderszins angstaanjagende verschijningen en daar maakt Ravel in Ronde gebruik van. Wie Halloween wil vieren, moet zich naar het bos van Ormonde begeven!

 


Maurice Ravel

Trois Chansons

op. 69 (Paroles et Musique de Maurice Ravel)

 

Nicolette

Nicolette, à la vesprée,

S`allait promener au pré,

Cueillir la pâquerette, la jonquille et le muguet.

Toute sautillante, toute guillerette,

Lorgnant ci, là de tous les côtés.

 

Nicolette ging tegen de avond

Wandelen in de wei,

Madeliefjes plukken,

Narcissen en lelietjes-van-dalen,

Huppelend en springend,

Naar alle kanten spiedend.

Rencontra vieux loup grognant,

Tout hérissé, l`œil brillant:

"Hé là! ma Nicolette, viens-tu pas chez Mère-Grand?"

A perte d`haleine, s`enfuit Nicolette,

Laissant là cornette et socques blancs.

 

Ze kwam een oude grommende wolf tegen

Met z’n haren recht overeind en met glanzende ogen: “Hela, mijn Nicolette,

Ga je niet mee naar grootmoeder?”

Nicolette vluchtte weg, buiten adem,

Haar kapje en witte sokjes achterlatend.

Rencontra page joli,

Chausses bleues et pourpoint gris:

"Hé là! ma Nicolette, veux-tu pas d`un doux ami?"

Sage, s`en retourna, très lentement, le cœur bien marri.

Ze kwam een knappe knaap tegen

Met blauwe broek en grijze wambuis.

“Hela, mijn Nicolette, wil je geen lief vriendje?”

Verstandig draaide ze zich om

Heel langzaam,  met een zwaar hart.

Rencontra seigneur chenu,

Tors, laid, puant et ventru:

"Hé là! ma Nicolette veux-tu pas tous ces écus?"

Vite fut en ses bras, bonne Nicolette,

Jamais au pré n`est plus revenue.

Ze kwam een kale man tegen,

Krom, lelijk, stinkend en met een dikke buik.

“Hela, mijn Nicolette,

Wil je niet graag al deze duiten?”

Ze sprong snel in zijn armen, die goede Nicolette,

En is nooit meer in de wei teruggekomen. 

 

 


 

Trois beaux oiseaux du Paradis

Trois beaux oiseaux du Paradis,

(Mon ami z'il est à la guerre)

Trois beaux oiseaux du Paradis

Ont passé par ici.

 

Le premier était plus bleu que ciel,

(Mon ami z'il est à la guerre)

Le second était couleur de neige,

Le troisième rouge vermeil.

 

"Beaux oiselets du Paradis,

(Mon ami z'il est à la guerre)

Beaux oiselets du Paradis,

Qu'apportez par ici?"

 

"J'apporte un regard couleur d'azur.

(Ton ami z'il est à la guerre)"

"Et moi, sur beau front couleur de neige,

Un baiser dois mettre, encore plus pur"

 

"Oiseau vermeil du Paradis,

(Mon ami z'il est à la guerre)

Oiseau vermeil du Paradis,

Que portez-vous ainsi?"

 

"Un joli cœur tout cramoisi ...

(Ton ami z'il est à la guerre)"

"Ah! je sens mon cœur qui froidit ...

Emportez-le aussi".

Drie mooie paradijsvogels

(mijn lief is ten strijde getrokken)

Zijn hier voorbijgekomen.

 

 

De eerste was blauwer dan de hemel

(Mijn lief is ten strijde getrokken)

De tweede was wit als sneeuw

De derde vermiljoenrood.

 

“Mooie paradijsvogeltjes

(Mijn lief is ten strijde getrokken)

wat hebben jullie meegebracht?”

 

 

“Ik breng een azuurblauwe groet.

(Je lief is ten strijde getrokken)”

“En ik moet op een mooi, sneeuwwit voorhoofdeen kus drukken die nog zuiverder is.”

 

 

“Vermiljoenrode paradijsvogel,

(Mijn lief is ten strijde getrokken)

Wat breng jij dan hierheen?”

 

 

“Een mooi karmijnrood hart.

(Je lief is ten strijde gertrokken)”

“Ah, ik voel mijn hart verkillen,

Neem dat ook maar mee.“

 


 

Ronde

[Les vieilles]

N'allez pas au bois d'Ormonde,

Jeunes filles, n'allez pas au bois:

Il y a plein de satyres, de centaures, de malins sorciers,

Des farfadets et des incubes,

Des ogres, des lutins,

Des faunes, des follets, des lamies,

Diables, diablots, diablotins,

Des chèvre-pieds, des gnomes, des démons,

Des loups-garous, des elfes, des myrmidons,

Des enchanteurs et des mages,

Des stryges, des sylphes, des moines-bourrus,

Des cyclopes, des djinns, gobelins,

Korrigans, nécromants, kobolds…

[Les vieux]

N'allez pas au bois d'Ormonde,

Jeunes garçons, n'allez pas au bois:

Il y a plein de faunesses, de bacchantes et de males fées,

Des satyresses, des ogresses et des babaïagas,

Des centauresses et des diablesses,

Goules sortant du sabbat,

Des farfadettes et des démones,

Des larves, des nymphes, des myrmidones,

Hamadryades, dryades, naïades, ménades, thyades,

Follettes, lémures, gnomides,

Succubes, gorgones, gobelines…

N'allez pas au bois d'Ormonde.

 

De oude vrouwen:

Ga niet naar het bos van Ormonde, meisjes, ga niet!

Het zit er vol saters, centauren, kwaadaardige tovenaars,

Aardmannetjes, boze geesten,

reuzen, kabouters,

Faunen, dwazen, monsters die kinderen eten,

Duivels, demonen, duveltjes,

Bokkenpoten, gnomen, demonen,

Weerwolven, elfen, myrmidonen,

Tovenaars, magiërs, vampiers, luchtgeesten, boemannen, cyclopen, onzichtbare geesten, kwelgeesten, kwade geesten, dodenbezweerders, kobolden.

Ga niet naar het bos d’Ormonde, ga niet, ga niet naar het bos, ga niet naar het bos!

 

De oude mannen:

Jongemannen, ga niet naar het bos, ga niet!

 

Het zit er vol faunvrouwen, bacchantes en kwaadaardige feeën,

Satervrouwen, reuzinnen, baba jaga's,

 

Centaurvrouwen en duivelinnen,

lijkeneetsters die van hun sabbat komen,

Aardvrouwtjes, demonen,

Spoken, nimfen, myrmidonen,

Bosnimfen, woudgodinnen, waternimfen, menaden, thyaden, dwazinnen, elfen, lemuren, gnomen, succubussen, gorgonen, kwelgeesten.

 

Ga niet naar het bos van Ormonde!

 

[Filles et garçons]

N'irons plus au bois d'Ormonde,

Hélas! plus jamais n'irons au bois.

Il n'y a plus de satyres, plus de nymphes ni de males fées.

Plus de farfadets, plus d'incubes,

Plus d'ogres, de lutins,

De faunes, de follets, de lamies,

Diables, diablots, diablotins,

De chèvre-pieds, de gnomes, de démons,

De loups-garous, ni d'elfes, de myrmidons,

Plus d'enchanteurs ni de mages, de stryges, de sylphes,

De moines-bourrus, de cyclopes, de djinns,

De diabloteaux, d'éfrits, d'aegypans, de sylvains, gobelins,

Korrigans, nécromans, kobolds…

N'allez pas au bois d'Ormonde,

Les malavisées vieilles,

Les malavisés vieux

Les ont effarouchés. Ah!

De meisjes en de jongens:

We zullen niet meer naar het bos van Ormonde gaan. Helaas, we zullen nooit meer naar het bos gaan.

Er zijn geen saters meer,  (enzovoort, enzovoort ....)

Ah!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ga niet naar het bos van Ormonde,

Die onbezonnen oude wijven en kerels

Hebben ze allemaal afgeschrikt!

Ah!

 

 

Aan de concerten wer­ken mee:

Sopranen

Alten

Tenoren

Bassen

Ingrid Appels

Marianne van den Beukel

Theo Boersema

Gijsbert Baldee

Rosanne de Clercq

Annelies Korff de Gidts

Peter Groot

Wim Bel

Judith Dijs

Godelief Mallee

Marcus Gunningham

Marc Dupuis

Saskia de Man

Mechtild Oostdam

Gabriël Hoezen

Cor Haaring

Ernestine Smulders

Sanneke Verhagen

Theo Janson

Frits Hali

Marleen Steenkist

Ester van der Voet

Sander de Kievit

Paul-Peter Polak

Claudia Sternberg


Niek Nieuwenhuijsen

Andreas Polman



Paul van der Werf

Ton Stauttener




Han de Winde

Samenstelling programma  : Paul van der Werf en Nico van der Meel

Toelichting                           : Nico van der Meel

Ontwerp affiche                    : Gabriël Hoezen

Redactie programmaboekje : Andreas Polman, Judith Dijs en Ton Stauttener