Leipzig, voor en na Bach

Leipzig, voor en na Bach

William Byrd Vocaal Ensemble o.l.v. Nico van der Meel

Zoetermeer zaterdag 21 mei 2016 Oude kerk
Leiden vrijdag 27 mei 2016 Lutherse kerk
Dordrecht zondag 29 mei 2016 Remonstrantse Kerk

Programma

Johann Adam Hiller (1728−1804):

§  Alles Fleisch ist wie Gras

Georg Rhau (1488−1548):

§  Ach, Vater unser

Balthasar Resinarius (1486−1544):

§  Ich dank dem Herrn von ganzem Herzen

Sethus Calvisius (1556−1615):

§  Unser Leben währet siebzig Jahr

Johann Hermann Schein (1586−1630):

Uit: Fontana Israel / Israelsbrünnlein (1623)

§  Ich bin die Wurzel des Geschlechtes Davids

§  Freue dich des Weibes deiner Jugend

§  Ist nicht Ephraim mein teurer Sohn

Uit: Diletti Pastorali / Hirtenlust (1624)

§  O Amarilli zart

Johann Gottfried Schicht (1753−1823):

§  Veni Sancte Spiritus

 

pauze

 

Felix Mendelssohn Bartholdy (1809−1847):

§  Trauergesang, Opus 116

Uit: Drei Psalmen für Chor und Solostimmen

§  Der zweite Psalm, Warum toben die Heiden, Opus 78, Nr. 1

§  Der zweiundzwantigste Psalm, Mein Gott, warum hast du mich verlassen?, Opus 78, Nr. 3

Uit: Sechs Lieder Opus 59, In Freien zu singen

§  Frühzeitiger Frühling

§  Die Nachtigall

§  Ruhethal

§  Jagdlied

Leipzig, voor en na Bach

 

Vraag je een muziekliefhebber welke naam met de stad Leipzig is verbonden, dan zal het antwoord ongetwijfeld Johann Sebastian Bach zijn. Vraag je echter door naar andere namen, dan zal er al gauw een stilte vallen. Iemand zal misschien “de kinderen van Bach” proberen. Een Wagner-adept zal misschien weten dat Wagner in Leipzig geboren werd. Leipzig is een stad met een enorme, maar niet erg algemeen bekende muzikale geschiedenis, met Johann Sebastian Bach als hoogtepunt en waterscheiding.

Toen Bach in het jaar 1723 in Leipzig aankwam als Cantor et Director Musices van de Thomaskerk, kwam hij in een positie terecht met een traditie van honderden jaren, want het Thomanerchor was opgericht in het jaar 1212. De Thomascantor was de belangrijkste musicus van Leipzig, met een groot aantal verantwoordelijkheden, zowel voor kerkmuziek als voor muziek ten dienste van het bestuur van de stad.

Leipzig was van oudsher een belangrijk handelscentrum, gelegen aan de rivier de Pleisse, en op het knooppunt van diverse belangrijke routes. Jaarmarkten brachten bezoekers van heinde en verre naar de stad, en zorgden zo voor een uitwisseling van niet alleen goederen, maar ook ideeën. Het intellectuele leven kreeg een verdere impuls door de oprichting van een universiteit in 1409. De Reformatie kreeg vaste voet aan de grond in Leipzig in het jaar 1539, toen Luther in de Thomaskerk preekte. Het muzikale landschap werd naast het Thomanerchor gevormd door de Stadtpfeiffer en Kunstgeiger, groepjes van musici wier beroep het was om te spelen wanneer en waar daar behoefte aan was. Diverse leden van de Bach-familie (onder wie J.S. Bachs grootvader en vader) behoorden tot de Stadtpfeiffer.

 

Onze verkenning van de muziekgeschiedenis van Leipzig begint met Georg Rhau, Thomascantor van 1518 tot 1520, en de eerste Thomascantor van wie we de naam weten. Rhau ontvluchtte Leipzig in 1520 vanwege zijn sterke Lutherse sympathiëen, die duidelijk worden uit het feit dat hij muziek op Duitse teksten zette. Zijn “Ach, Vater unser” bevat allerlei expressieve wendingen, passend bij het humanistische tijdperk waaruit deze muziek stamt. Bij “Ich dank dem Herrn” van Rhaus beschermeling en tijdgenoot Balthasar Resinarius is het gemakkelijk je een begeleiding door de Stadtpfeiffer voor te stellen.

Sethus Calvisius (Thomascantor van 1594 tot 1615) was niet alleen musicus, maar ook astronoom (expert op het gebied van zons- en maansverduisteringen), een zeer bijzondere combinatie. Bach zou later aan de Thomasschule de muziekbundel Florilegium Portense gebruiken, waarin Calvisius’ “Unser Leben währet siebzig Jahr” was opgenomen.

Calvisius’ opvolger Johann Hermann Schein (Thomascantor van 1615 tot 1630), die in dit programma uitgebreid aan bod komt, was ongetwijfeld Bachs grootste voorganger in Leipzig. Hij bracht als eerste de vernieuwingen van de Italiaanse stijl (concertato-stijl, monodie, basso continuo) naar het Duitse taalgebied, en daarmee zijn alle Duitse componisten die na hem komen aan hem schatplichtig. Hij schreef een grote hoeveelheid vocale en instrumentale muziek, zowel geestelijk als werelds, waaronder een bundel studentenliederen (=drinkliederen). Zijn meesterwerk is de bundel Israels Brünnlein, waarin hij de intensiteit en expressie van Italiaanse madrigalen overbrengt naar het Duits. Karakteristiek is hoe in “Ist nicht Ephraim mein teurer Sohn”, in korte fragmenten van zinnen, bijna stamelend, de ene na de andere gemoedsbeweging van de spreker (waarvan pas helemaal aan het slot wordt bevestigd dat het God zelf is), met enkele akkoorden getekend wordt.

In de tijd na Bach neemt het belang van de Thomaskantor voor het Leipziger muziekleven af, hand in hand met de toename van het belang van de instrumentale muziek. Deze trend was begonnen met de oprichting van het Collegium Musicum, bestaande uit getalenteerde studenten, door Telemann (toen rechtenstudent in Leipzig) in 1701, en vanaf 1729 geleid door Bach, o.a. in de beroemde gratis concerten in Kaffeehaus Zimmermann aan de Katharinenstrasse. In een tijd dat Bachs muziek in vergetelheid was geraakt, is het interessant dat een stuk als “Alles Fleisch ist wie Gras” van Johann Adam Hiller (de 3e Thomascantor na Bach, van 1789 tot 1801) toch nog een fuga en een koraal bevat (maar dan in een vroeg-romantisch idioom), vormen die in die tijd feitelijk archaïsch waren, maar als een echo van Bachs muziek naklinken. Hetzelfde geldt voor de fuga in “Veni Sancte Spiritus” van Johann Gottfried Schicht (Thomaskantor van 1810 tot 1823).

Een nieuw pad wordt ingeslagen door Felix Mendelssohn-Bartholdy, die in 1843 in Leipzig het Conservatorium oprichtte (met 22 leerlingen en 6 docenten). Mendelssohn was een romanticus pur sang, zoals mag blijken uit de vier stukken uit Opus 59 in dit programma. Onder Mendelssohn groeide het Gewandhausorchester uit tot een instituut, dat topstukken in première bracht (o.a. drie symfoniën van Schumann, de grote 9e symfonie van Schubert, en Mendelssohns eigen vioolconcert). Mendelssohn was ook degene die de muziek van Bach voor het eerst weer in de schijnwerpers zette, wat leidde tot de 1e uitvoering van de Matthäus Passion na Bachs dood in 1845, onder Mendelssohns leiding. Mendelssohns fascinatie voor de muziek van Bach is terug te vinden in zijn preludes en fuga’s voor piano, in zijn cantates, en in sommige van zijn koorwerken. De doxologie “Ehre sei dem Vater” waarmee hij zijn Psalm 2 laat eindigen, is een bijna dromerige herinnering aan Bachs contrapunt, en tegelijk op en top Mendelssohn.


 

Johann Adam Hiller (1728­1804):

Alles Fleisch ist wie Gras

(Jesaja 40, 6-8)

 

Alles Fleisch ist wie Gras und alle Herrlichkeit der Menschen wie

des Grases Blumen. Das Gras ist verdorret und die Blume abgefallen:

Aber des Herrn Wort bleibet in Ewigkeit.

 

Alle vlees is gras, en alle menselijke schoonheid is als een bloem des velds.

Het gras verdort, de bloem valt af, maar het woord van God houdt eeuwig stand.

Ich sinke zu verwesen ein

Und werde wieder Erde;

Doch werd ich nicht auf ewig seyn,

Was ich im Grabe werde.

Im Schooße Gottes ruht mein Geist

von diesem Leben aus und fleußt

vor Wonn' anbetend über.

Ach, mein Auge sahe nie,

meinem Ohr ertönte nie

solch Heil in diesem Leben.

 

Ik daal neer om weer tot aarde te verworden;

Maar ik zal niet eeuwig blijven

Wat ik in het graf geworden ben.

Mijn ziel rust in de schoot van God

Na dit leven en stroomt in aanbidding over van vreugd.

Ach, mijn oog heeft nog nooit gezien,

Mijn oor heeft nog nooit gehoord

Zo’n verlossing in dit leven.

Sey, Seele, stark, und fürchte nicht

Durch’s finstre Thal zu wallen.

Nah ab des Thales Nacht ist Licht,

Der Engel Jubel schallen

Ins letste Seufzen der Natur!

Der, bey sich selbst, dir Gnade schwur,

sein Haupt am Kreuz er neigte,

so erfüllt des Bundes Eid;

er ist ganz Barmherzigkeit:

Dank sey ihm, Preis und Ehre!

Wees sterk, mijn ziel, en wees niet bang

Om door het donkere dal te gaan.

Na de nacht van het dal is het licht nabij,

De vreugdegezangen der engelen klinken in het laatste zuchten van de natuur!

Hij, die in zichzelf, jou genade zwoer,

Aan het kruis zijn hoofd boog,

Vervult aldus het oude testament;

Hij is geheel genade:

Hem zij dank, prijs en eer!

 

 

 

Georg Rhau (1488−1548):

Ach, Vater unser

(Ambrosius Moibanus, )

 

Ach Vater unser, der du bist

Im Himmelreich

Hoch über uns, darumb im Geist

Willt angebetet werden,

Dein heilger Nam werd ausgebreit

Gewaltiglich,

Geehrt in uns und überall

Im Himmel und auf Erden.

Das Reich der Gnaden komm uns zu

Und thu in uns bekleiben.

Und was dir nicht behäglich ist

In uns, das wöllst austreiben,

Auf daß wir mügen ewiglich

In deinem Reiche bleiben.

Och onse Vader ghy die zijt,

Int Hemelrijck,

Hooch over ons, dies in den Geest, wilt Aengebedet weerden,

Dijn Heylig' Naem word' wtghebreydt, gheweldichlijck,

Geeert behoorlijck aldermeest,

in Hemel end op Eerden,

Dat Rijck der Genaden ons toecom,

En doe in ons beclijven,

End wat in ons is Onbetaem,

Dat wilt van ons wt drijven,

Op dat wy mogen al te saem

In dijnen Rijcke blijven.

 

 

De I I. Vader Onse. Uit: De C.L. psalmen des conincklijcken propheten Davids (1625)

 

 

Balthasar Resinarius (1486−1544):

Ich dank dem Herrn von ganzem Herzen

(psalm 111)

 

Ich danke dem Herrn von ganzem Herzen

in Rat der Frommen und in der Gemein.

Groß sind die Werke des Herren,

Wer ihr achtet, der hat eitel Lust dran.

Was er ordnet, das ist löblich und herrlich,

und seine Gerechtigkeit bleibet ewiglich.

Er sendt Erlösung seinem Volk,

verheißt, daß sein Bund ewiglich bleiben soll. Sein Name ist heilig und hehr.

Die Furcht des Herren ist der Weisheit Anfang.

Das ist ein’ feine Klugheit;

wer danach tut, des Lob bleibet ewiglich.

De Heer wil ik loven van harte

in de kring der oprechten, zijn schare.

Grootmachtig de daden des Heren,

voor wie dankbaar gezind zijn herkenbaar;

Verheven en heerlijk zijn handelen,

zijn gerechtigheid houdt stand

voor eeuwig. Bevrijding schonk hij zijn volk,

schiep voor de eeuwigheid zijn verbond.

Heilig, ontzagwekkend zijn naam!

Grondbeginsel der wijsheid: ontzag voor de Heer;

heilzaam inzicht voor wie dit betrachten.

Zijn lof zal stand houden voor eeuwig!

Lob und Preis sei Gott dem Vater und dem Sohn und dem heiligen Geist.

Wie es war von Anfang itzt und immerdar und von Ewigkeit zu Ewigkeit. Amen.

Eer en lof aan de Vader en de zoon en de Heilige Geest.

Zoals het was in het begin en nu en altijd,

En in de eeuwen der eeuwen. Amen.

 

 

Sethus Calvisius (1556−1615):

Unser Leben währet siebzig Jahr

(psalm 90 v.10)

 

Unser Leben währet siebzig Jahr’,

und wenn es hoch kommt, so sind’s achtzig Jahr’;

und wenn es köstlich gewesen ist,

so ist es Müh’ und Arbeit gewesen;

denn es fähret schnell dahin,

als flögen wir davon.

Zeventig jaar kan ons leven tellen,

tachtig misschien als wij krachtig zijn;

het grootste deel is zorgen en verdriet;

de jaren vliegen voorbij en wij met hen.

 

Johann Hermann Schein (1586−1630):

Ich bin die Wurzel des Geschlechtes Davids

(Openbaringen 22: 16b, 20-21)

 

Ich bin die Wurzel des Geschlechtes David, ein heller Morgenstern.

Es spricht, der solches zeuget: Ja, ich komme bald. Amen, ja komm, Herr Jesu.

Die Gnade unsers Herren Jesu Christi sei mit euch allen.

Ik ben de wortel uit het geslacht van David, de stralende morgenster.

Hij die dit alles waarborgt, zegt: ‘Ja, Ik kom spoedig.’Amen. Kom, Heer Jezus!

De genade van de Heer Jezus zij met allen.

 

 

Freue dich des Weibes deiner Jugend

(Spreuken 5: 18b-19)

 

Freue dich des Weibes deiner Jugend.

Sie ist lieblich wie eine Hinde und holdselig wie ein Rehe;

Laß dich ihre Liebe allezeit sättigen

und ergetze dich allewege in ihrer Liebe.

Verheug je met de vrouw van je jonge jaren.

Die lieftallige hinde, die bekoorlijke gazelle:

laat haar liefkozingen je altijd laven

en wees altijd verrukt van haar liefde.

 

 

Ist nicht Ephraim mein teurer Sohn

(Jeremia 31: 20)

 

Ist nicht Ephraim mein teurer Sohn und mein trautes Kind?

Denn ich denk noch wohl daran, was ich ihm geredet habe;

darum bricht mir mein Herz gegen ihn, daß ich mich sein erbarmen muss, spricht der Herr.

Is mijn dierbare zoon Efraïm

Mij dan zo lief en zo dierbaar,

dat Ik na ieder hard woord

toch aan hem blijf denken,

en zo met hem meevoel,

dat Ik mij weer over hem zal ontfermen?

– godsspraak van de Heer.

 


 

O Amarilli zart

(Diletti pastorali, Hirten Lust, 1624)

 

O Amarilli zart, ganz himmelischer Art,

Ach willst du denn nicht gläuben,

Daß du bist nur allein mein Tausendliebelein

Und sollst es ewig bleiben?

Tedere Amaryllis, geheel hemels wezen,

Ach wil je dan niet geloven,

Dat alleen jij mijn allerdierbaarste lieveling bent en dat je dat altijd zal blijven?

Nimm hin dies Schwert, spalt ohne Scheu

Mein amoriertes Herz entzwei,

So wirst du gewißlich sehen

Darin geschrieben stehen:

Amarilli zart allein ist mein Schatz,

Mein Liebelein.

 

Neem dit zwaard, snijd zonder vrees

Mijn verliefde hart in twee,

Dan zul je zeker zien

Dat daarin geschreven staat:

Tedere Amaryllis is als enige mijn schat,

Mijn lieveling.

 

Johann Gottfried Schicht (1753−1823):

Veni Sancte Spiritus

(Sequens voor Pinksteren)

 

Veni, Sancte Spiritus,

reple tuorum corda fidelium,

et tui amoris in eis ignem accende.

Kom, heilige Geest,

vervul de harten van uw gelovigen

en ontsteek in hen het vuur van de liefde voor u.

Qui per diversitatem linguarum cunctarum gentes

in unitate fidei congregasti,

et tui amoris in ei ignem accende, alleluia.

Die de volkeren door de verscheidenheid van alle talen

in het geloof hebt verenigd,

ontsteek in hen het vuur van de liefde voor u.

 

 

pauze

 


 

Felix Mendelssohn Bartholdy (1809−1847):

Trauergesang

(opus 116)

 

Sahst du ihn hernieder schweben

in der Morgenröthe Lichtgewand?

Zag je hem niet omlaag zweven,

in een gewaad van licht, gelijk het morgenrood?

Palmen strahlten in des Engels Hand;

sein Berühren trennt des Geistes Leben von der Erdenhülle schwerem Band.

Palmen straalden in de hand van de engel;

zijn aanraking scheidt het leven van de geest van de zware band met het aards omhulsel.

Wem, o Engel, rufet dein Erscheinen?

Sag, wem gilt dein Flug so ernst und hehr?

Wie, o engel, roep je met je verschijnen?

Zeg, wie geldt jouw vlucht, zo ernstig en verheven?

Was erblick' ich! Aller Augen weinen,

ach, ihr Liebling ist nicht mehr!

Wat zie ik! Aller ogen wenen,

ach, hun liefste is niet meer!

Lächelnd schlief er ein,

des Himmels Frieden strahlt vom vielgeliebten Angesicht,

und die Mien’, in der sein Geist hienieden sich verklärt, verließ ihn sterbend nicht.

Lächelnd schlief er ein.

Glimlachend ging hij heen,

de vrede van de hemel straalt van zijn alom geliefde gelaat,

en de uitdrukking waarmee zijn geest hier beneden van geluk begon te stralen, verliet hem niet toen hij stierf.

Glimlachend ging hij heen.

 


 

Warum toben die Heiden

(psalm 2)

 

Warum toben die Heiden, und die Leute

reden so vergeblich?

Die Könige im Lande lehnen sich auf, und

die Herren ratschlagen mit einander wider

den Herrn und seinen Gesalbten:

‘Laßt uns zerreisen ihre Bande, und von

uns werfen ihre Seile!’

Waarom zijn de volken oproerig, gaan zinloos de natiën aan?

Hoe posteren zich wereldse heersers, spannen

samen de groten der aarde, de Heer en

zijn gezalfde trotserend:

‘Wij moeten hun ketenen verbreken, hun

boeien werpen wij af!’

 

Aber der im Himmel wohnet, lachet ihrer,

und der Herr spottet ihrer.

 

Die troont in de hemel, hij lacht; de Heer, hij

maakt hen tot spot.

 

Er wird einst mit ihnen reden in seinem

Zorn, und mit seinem Grimm wird er sie

schrecken.

 

Maar dàn spreekt hij tot hen in vergramdheid, slaat hen door zijn toornen met schrik:

 

Aber ich habe meinen König eingesetzt auf meinem heiligen Berge Zion.

Ich will von einer solchen Weise predigen,

dass der Herr zu mir gesagt hat: ‘Du bist

mein Sohn, heute hab’ ich dich gezeuget;

Heische von mir, so will ich dir die Heiden zum Erbe geben, und der Welt Ende zum Eigenthum.’

 

‘Heb ik hem niet gezalfd tot mijn koning op

de Sion, mijn heilige berg?’

Zo gewaag ik van ‘s Heren besluit; hij sprak

tot mij: ‘Gij zijt mijn zoon, ik riep heden u in het leven.

Vraag het mij slechts en ik geef volkeren

u tot een erfdeel, u tot een eigen bezit de

aarde tot aan haar randen.

 

Du sollst sie mit eisernem Zepter zerschlagen, wie Töpfe sollst du sie zerbrechen: So lasset euch nun weisen, ihr Könige, und lasset euch züchtigen, ihr Richter auf Erden.

 

Verbrijzelen moogt gij hen met ijzeren knots,

hen als lemen kruiken vergruizelen.’

Komt heden, koningen, tot inzicht; laat u

leren, bestuurders der wereld!

 

Dienet dem Herrn mit Furcht und freuet

euch mit Zittern! Küsset den Sohn, daß er nicht zürne, Und ihr umkommet auf dem Wege, denn sein Zorn wird bald anbrennen.

Aber Wohl allen, die auf ihn trauen.

 

Dient de Heer met ontzag, betoont uw

vreugd met vervaren, weest de zoon onderdanig, opdat Hij niet zich vertoornt en gij omkomen zoudt op uw weg. Want licht kan ontbranden zijn gramschap!

Gelukkig te prijzen dan allen die toevlucht vinden bij hem!

 

Ehre sei dem Vater und dem Sohne,

und dem heiligen Geiste.

Wie es war von Anfang, jetzt und immerdar und von Ewigkeit zu Ewigkeit.

Amen!

Eer zij de Vader, de Zoon

en de Heilige Geest,

zoals het was in het begin, nu en altijd en in

de eeuwen der eeuwen.

Amen

 


 

Mein Gott, warum hast du mich verlassen?

(psalm 22)

 

Mein Gott, mein Gott, warum hast du mich verlassen? Ich heule, aber meine Hülfe ist fern.

Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? Ik kerm, maar mijne hulp is ver.

Mein Gott, des Tages rufe ich, so antwortest du nicht; und des Nachts schweige ich auch nicht.

Aber du bist heilig, der du wohnest unter dem Lobe Israels.

Mijn God, bij dag roep ik, zo antwoordt Gij niet; en des nachts zwijg ik ook niet.

 

Maar Gij zijt heilig, Gij, die onder de lofgezangen van Israël woont.

Unsre Väter hofften auf dich; und da sie hofften, halfest du ihnen aus.

Zu dir schrieen sie und wurden errettet; sie hofften auf dich und wurden nicht zu Schanden.

Ich aber bin ein Wurm, und kein Mensch, ein Spott der Leute und Verachtung des Volks.

Alle, die mich sehen, spotten meines, sper-ren das Maul auf und schütteln den Kopf:

"Er klage es dem Herrn; der helfe ihm aus und errette ihn, hat er Lust zu ihm."

Onze vaders hoopten op U; en toen zij hoopten, hielpt Gij hen uit;

tot U riepen zij en werden gered, zij hoopten op U en werden niet te schande.

 

Maar ik ben een worm en geen mens, een spot der lieden en ene verachting des volks.

 

Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de tong uit en schudden het hoofd:

Hij klage het den Heer, dat die hem helpe en hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft!

 

Ich bin ausgeschüttet wie Wasser, alle meine Gebeine haben sich getrennt; mein Herz ist in meinem Leibe wie zerschmolzenes Wachs.

Meine Kräfte sind vertrocknet wie eine Scherbe, und meine Zunge klebt am Gaumen, und du legst mich in des Todes Staub.

Denn Hunde haben mich umgeben, und der Bösen Rotte hat sich um mich gemacht; sie haben meine Hände und Füße durchgraben.

 

Ik ben uitgegoten als water, al mijne beenderen hebben zich van één gescheiden; mijn hart is in mijn lijf als gesmolten was.

Mijn krachten zijn verdroogd als ene potscherf, en mijne tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt in het stof des doods mij neder.

Want honden hebben mij omringd en een rot van boosdoeners heeft zich rondom mij gevoegd; zij hebben mijne handen en voeten doorgraven.

 

Sie theilen meine Kleider unter sich und werfen das Loos um mein Gewand.

Aber du, Herr, sei nicht ferne; meine Stärke, eile mir zu helfen!

Errette meine Seele vom Schwert, meine Einsame von den Hunden!

Hilf mir aus dem Rachen des Löwen und errette mich von den Einhörnern!

 

Zij delen mijne klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.

Maar Gij, Heer, wees niet verre, mijne sterkte, haast U om mij te helpen.

Red mijne ziel van het zwaard, mijne enige uit de macht der honden.

Help mij uit den muil van den leeuw, en red mij van den eenhoorn.

 

Ich will deinen Namen predigen meinen Brüdern; ich will dich in der Gemeinde rühmen.

Rühmet den Herrn, die ihr ihn fürchtet; es ehre ihn aller Same Jakobs, und vor ihm scheue sich aller Same Israels.

 

Ik wil uwen naam mijnen broederen prediken, ik wil U in de gemeente roemen.

Roemt den Heer, gij die Hem vreest; Hem ere al het zaad van Israël.

 

Denn er hat nicht verachtet noch verschmäht das Elend des Armen und sein Antlitz nicht vor ihm verborgen; und da er zu ihm schrie, hörte er es.

Dich will ich preisen in der grossen Gemeinde; ich will mein Gelübde bezahlen vor denen, die ihn fürchten.

 

Want Hij heeft niet veracht noch versmaad de ellende des armen, en zijn aangezicht voor hem niet verborgen; en toen hij tot Hem riep, hoorde Hij het.

Ik wil U prijzen in de grote gemeente, ik wil mijne geloften betalen, voor degenen, die Hem vrezen.

 

Die Elenden sollen essen, dass sie satt werden; und die nach dem Herrn fragen, werden ihn preisen; Euer Herz soll ewiglich leben.

De ellendigen zullen eten, dat zij verzadigd worden, en die naar den Heer vragen, zullen Hem prijzen; uw hart leve eeuwiglijk.

 

Es werde gedacht aller Welt Ende, dass sie sich zum Herrn bekehren, und vor ihm anbeten alle Geschlechter der Heiden.

Denn der Herr hat ein Reich, und er herrscht unter den Heiden.

Alle einden der wereld zullen dit gedenken en zich tot den Heer bekeren, en voor Hem zullen alle geslachten der volken aanbidden; Want de Heer heeft het rijk, en Hij heerst over de volken.

 


 

Frühzeitiger Frühling

(Johann Wolfgang von Goethe)

Tage der Wonne, kommt ihr so bald?

Schenkt mir die Sonne, Hügel und Wald?

Reichlicher fließen Bächlein zumal,

Sind es die Wiesen? Ist es das Thal?

Bläuliche Frische! Himmel und Höh!

Goldene Fische wimmeln im See.

Buntes Gefieder rauschet im Hain;

Himmlische Lieder schallen darein.

Unter des Grünen blühender Kraft,

Naschen die Bienen summend am Saft.

Leise Bewegung bebt in der Luft,

Reizende Regung, schläfernder Duft.

Mächtiger rühret bald sich ein Hauch,

Doch er verlieret gleich sich im Strauch.

Aber zum Busen kehrt er zurück,

Helfet, ihr Musen, Tragen das Glück!

Saget seit gestern wie mir geschah?

Liebliche Schwestern, Liebchen ist da!

Gelukzalige dagen, komen jullie zo snel?

Schenken mij zon, heuvels en bos?

Overvloedig stromen de beekjes opeens.

Zijn het de weiden? Is het het dal?

Blauwe frisheid! Hemel en heuvels!

Gouden vissen krioelen in het meer.

Kleurrijk gevederte ritselt in het struikgewas;

Hemelse liederen weerklinken er.

Onder de bloeiende kracht van het groen

Snoepen de bijen zoemend van de nectar.

Zachte beweging trilt in de lucht,

Prikkelend gevoel, bedwelmende geur.

Sterker meldt zich weldra een zuchtje wind,

Maar het verdwijnt meteen in de struiken.

Maar naar het hart keert het terug.

Help, jullie muzen, het geluk te dragen!

Zeg dan wat mij sinds gisteren overkwam?

Geliefde zusters, mijn geliefde is er!

 

Die Nachtigall

(Johann Wolfgang von Goethe)

Die Nachtigall, sie war entfernt,

Der Frühling lockt sie wieder;

Was neues hat sie nicht gelernt,

Singt alte, liebe Lieder.

De nachtegaal is ver weg geweest.

De lente lokt haar weer terug.

Ze heeft niets nieuws geleerd,

ze zingt oude, lieve liedjes.

 

Ruhethal

(Johann Ludwig Uhland)

Wann im letzten Abendstrahl

Goldne Wolkenberge steigen

Und wie Alpen sich erzeigen,

Frag' ich oft mit Tränen:

Liegt wohl zwischen jenen

Mein ersehntes Ruhethal?

Als in de laatste straal van het

avondlicht gouden wolkenbergen opstijgen,

bergen zo hoog als de Alpen,

dan vraag ik me vaak in tranen af:

ligt daar ergens tussen die bergen

het dal waar ik zo naar verlang?

Jagdlied

(Joseph von Eichendorff)

 

Durch schwankende Wipfel

Schießt goldener Strahl,

Tief unter den Gipfeln

Das nebligeTal.

Fern hallt es vom Schlosse,

Das Waldhorn ruft,

Es wiehern die Rosse

In die Luft, in die Luft!

 

Door wuivende boomtoppen

schiet gouden licht.

Diep onder de bergtoppen ligt het dal in nevelen gehuld.

Ver weg bij het kasteel

roept de waldhoorn.

De paarden hinniken

in de lucht!

Bald Länder und Seen,

Bald Wolkenzug,

Tief schimmernd zu sehen

In schwindelndem Flug.

Bald Dunkel wieder

Hüllt Reiter und Ross,

O Lieb’, o Liebe,

So laß mich los!

 

Van landen, meren

En wolkentrek

is algauw slechts een glimpje te zien

in de duizelingwekkende vlucht.

Dan weer zijn ridder

en paard in duister gehuld.

O lief, o liefje,

laat mij dus gaan!

Immer weiter und weiter

Die Klänge ziehn,

Durch Wälder und Heiden

Wohin, ach wohin?

Erquickliche Frische,

Süß-schaurige Lust!

Hoch flattern die Büsche,

Frei schlägt die Brust.

Steeds verder en verder

trekken de klanken

door bossen en heide.

Waarheen, ach waarheen?

Verkwikkende frisheid,

zoet-huiveringwekkend genot!

Fel zwiepen de struiken,

vurig klopt het hart.

 

Aan de concerten wer­ken mee:

Sopranen

Alten

Tenoren

Bassen

Judith Dijs

Marianne van den Beukel

Theo Boersema

Marc Dupuis

Pauline van der Meer

Annelies Korff de Gidts

Peter Groot

Cor Haaring

Ernestine Smulders

Godelief Mallee

Marcus Gunningham

Fred Hickendorff

Marleen Steenkist

Mechtild Oostdam

Gabriël Hoezen

Andreas Polman

Gesineke Veerman

Sanneke Verhagen

Theo Janson

Ton Stauttener

Janneke van Vucht

Ester van der Voet

Sander de Kievit

Han de Winde

 


Niek Nieuwenhuijsen

 



Paul van der Werf