najaar 2008

za 15 nov 2008 20.15 Oud-Katholieke kerk, Delft
za 22 nov 2008 20.15 Lokhorstkerk, Leiden
zo 23 nov 2008 15.00 Nicola´kerk (ook wel: Klaaskerk) Utrecht

Totentanz


Programma najaar 2008: Distler - Totentanz

Mitten wir im Leben sind, op.23, nr.3

 

Felix Mendelssohn-Batholdy

Candido e verde fiore

Deh, come invan sospiro

Mille volte il dì
     (uit: Il sesto libro di madrigali, 1613)

Don Carlo Gesualdo

Bois meurtri
     (uit: Un soir de neige, 1944)
Un joueur de flûte berce les ruines
      (fluit solo, 1942)
La bonne neige
     (uit: Un soir de neige, 1944)

 

Francis Poulenc

Five Flower Songs (op.47, 1950)

  1. To Daffodils
  2. The succession of the Four Sweet Months
  3. Marsh Flowers
  4. The Evening Primrose
  5. Ballad of Green Broom

Benjamin Britten

Gleichwie die grünen Blätter
  (uit: Motetten, 1929)

Julius Röntgen

        pauze

 

Es ist ein Schnitter, heisst der Tod

 

zetting: Julius Röntgen, 1915

Totentanz (1934)
(inclusief de variaties over "Es ist ein Schnitter, heisst der Tod" voor fluit solo)

Hugo Distler

m.m.v.

Jaap Metzlar - voordracht
Doretthe Janssens - fluit

 

 

In heel Europa zijn er op kerkmuren zogenaamde dodendansen te vinden. Allerlei mensen worden erop afgebeeld – van oud tot jong en van arme sloeber tot hoogwaardigheidsbekleder – dansend met de Dood. De moraal: de Dood kan iedereen onverwacht ten dans uitnodigen en dus kun je je leven maar beter goed gebruiken. Schilders gebruikten deze vorm om met bijtende humor de spot te drijven met zelfgenoegzame mensen en om mededogen te tonen met harde werkers en underdogs.

In 1463 schilderde Bernt Notke in een zijkapel van de Marienkirche in Lübeck een Totentanz, die in de achttiende eeuw nog beroemder werd, toen hij vervangen werd door een barokke kopie. Hugo Distler, die sinds 1931 organist was van de Jacobikirche in Lübeck, gebruikte deze dodendans in 1934 als uitgangspunt voor een compositie voor Totensonntag, de laatste zondag van het kerkelijk jaar, waarop in Protestantse kerken de overledenen van het afgelopen jaar herdacht worden. De compositie bestaat uit veertien Spruchmotetten, op teksten uit de Cherubinischer Wandersmann van Angelus Silesius (1624-1677). Met een gesproken dialoog tussen mensen en de Dood vormen ze een eenheid. De dialogen die Distler gebruikte, zijn een modernisering van de onderschriften bij de Lübecker dodendans van de hand van Johannes Klöcking. Tijdens dit concert zullen de dialogen klinken in een Nederlandse bewerking van Jan Rietveld. Als derde onderdeel van het geheel componeerde Distler variaties voor fluit solo over het 17de-eeuwse lied Es ist ein Schnitter heisst der Tod, waarin de Dood wordt gepersonifieerd als een bloemensnijder en de mensen als bloemen.

Het lied Es ist ein Schnitter heisst der Tod is stamt uit de 30-jarige oorlog en is een reactie op oorlogsleed en pestepidemieën. De Nederlandse componist – met Nederlandse-Duitse familie-achtergrond – Julius Röntgen maakte in 1915 een zetting als reactie op het leed van de eerste wereldoorlog. In dat licht is het ook te begrijpen dat de zetting later gepubliceerd werd in een bundel met politieke koorliederen! Voor zijn motetten uit 1924 gebruikte Röntgen drie oud-testamentische teksten en twee teksten uit het apocriefe boek Jezus Sirach, ofwel De wijsheid van Jezus, zoon van Sirach. De tekst van het motet Gleichwie die grünen Blätter uit stamt uit dit boek. In het boek wordt de dood gepresenteerd als iets onvermijdelijks, waarvoor je niet bang hoeft zijn, maar waarop je je wel moet voorbereiden door goed en wijs te leven. Precies de gedachte die ook uit Distlers Totentanz spreekt!

Maarten Luther schreef zijn lied Mitten wir im Leben sind in 1524; het was gebaseerd op de antifoon Media vita in morte sumus (Midden in het leven, zijn wij in de dood) uit de 8ste eeuw. Felix Mendelssohn-Bartholdy maakte voor Totensonntag 1830 een zetting van deze tekst. Aan zijn zus Fanny schreef hij trots: “Mitten wir im Leben sind is wohl eins der besten Kirchenstücke, die ich gemacht habe, und brummt bös, oder pfeift dunkelblau.”

Wanneer de dood het thema van een programma is, kun je eigenlijk niet om de componist Don Carlo Gesualdo prencipe di Venosa heen. Bijna obsessief was hij met de dood bezig, vooral in relatie met liefde. Een verband met zijn persoonlijk leven is snel gelegd: Gesualdo vermoordde zijn vrouw en haar minnaar. De madrigalen in dit programma stammen uit zijn zesde en laatste madrigaalboek uit 1611.
In de Flower Songs van Benjamin Britten uit 1950, is vergankelijkheid een belangrijk neventhema. De narcissen verwelken snel, de moerasbloemen stinken naar de dood, de teunisbloem bloeit slechts één nacht en de groene brem wordt met vaardige hand afgesneden. Alleen het tweede lied getuigt uitbundig van levenskracht. 
De koorcyclus Un soir de neige op tekst van Paul Éluard stamt uit de kerstdagen van 1944. Weliswaar was Frankrijk bevrijd, maar somberheid en rouw overheersen in dit werk. Tussen twee delen van deze cyclus hoort u een wonderwel passend miniatuurtje voor fluit solo. Het werd in 1942 door Poulenc gemaakt onder de omineuze titel Un joueur de flûte berce les ruines (een fluitspeler wiegt de ruïnes). In 2000 werd het herontdekt en het vormt nu een welkome aanvulling op het repertoire voor fluit solo.

De Lübecker Totentanz kwam door een bombardement in de tweede wereldoorlog trouwens zelf ook aan zijn einde. Wie een indruk wil krijgen van hoe het er uitgezien moet hebben, moet zich behelpen met zwart-witfoto's uit die tijd, of  moet afreizen naar Tallin, waar in de Nicolaïkerk nog een kopie te vinden is. Een compilatie van de foto's wordt tijdens het concert tentoongesteld.

Nico van der Meel.

Totentanz

recensie

Totentanz

N.B. Het concert in Utrecht omvatte niet het complete programma, maar slechts de volgende werken:

Es ist ein Schnitter, heisst der Tod
"Fliegendes Blatt 1637 - aus dem 30jährigen Krieg"

zetting: Julius Röntgen (1855-1932)

Mitten wir im Leben sind, op.23, nr.3

Felix Mendelssohn-Bartholdy  (1809-1847)

Bois meurtri  (uit: Un soir de neige, 1944)
Un joueur de flûte berce les ruines  (fluit solo, 1942)
La bonne neige  (uit: Un soir de neige, 1944)

Francis Poulenc  (1899-1963)

Gleichwie die grünen Blätter   (uit: Motetten, 1929)

Julius Röntgen  (1855-1932)

Totentanz

Hugo Distler  (1908-1942)


Teksten

Felix Mendelssohn-Bartholdy (1809–1847)
Mitten wir im Leben sind

op.23, nr.3

Mitten wir im Leben sind
Mit dem Tod umfangen.
Wen suchen wir, der Hülfe tu,
Daß wir Gnad erlangen?
Das bist du, Herr, alleine.
Uns reuet unser Missetat,
Die dich, Herr, erzürnet hat.
  Heiliger Herre Gott,
  Heiliger starker Gott,
  Heiliger barmherziger Heiland,
  du ewiger Gott,
Laß uns nicht versinken
in der bittern Todesnot.
  Kyrie eleison.

Midden in het leven zijn wij
 door de dood omvangen.
 Wie is daar die hulp ons biedt,
 dat wij troost erlangen?
 Alleen Gij, Here Jezus!
 Hoezeer doet ons de zonde leed,
 die Gods toorn ontbranden deed.
 Heilige Here God,
 heilige, sterke God,
 heilige barmhartige Heiland,
 Gij eeuwige God,
 laat ons niet verzinken
 in de bitt're nood des doods!
  Kyrie eleison

Mitten in dem Tod ansieht
Uns der Höllen Rachen.
Wer will uns aus solcher Not
Frei und ledig machen?
Das tust du, Herr, alleine.
Es jammert dein Barmherzigkeit
Unser Sünd und großes Leid.
  Heiliger Herre Gott,
  Heiliger starker Gott,
  Heiliger barmherziger Heiland,
  du ewiger Gott,
Laß uns nicht verzagen
vor der tiefen Höllen Glut.
  Kyrie eleison.

Midden in de dood zijn wij
 door de hel omvangen.
 Wie doet in die laatste nood
 redding ons erlangen?
 Alleen Gij, Here Jezus!
 U gaat ter harte, dat wij zijn
 in de zonde en in de pijn.
 Heilige Here God,
 heilige, sterke God,
 heilige barmhartige Heiland,
 Gij eeuwige God,
 laat ons niet versagen
 in de aanvechting der hel!
 Kyrie eleison!

Mitten in der Höllen Angst
Unser Sünd uns treiben.
Wo solln wir denn fliehen hin,
Da wir mögen bleiben?
Zu dir, Herr, alleine.
Vergossen ist dein teures Blut,
Das gnug für die Sünde tut.
  Heiliger Herre Gott,
  Heiliger starker Gott,
  Heiliger barmherziger Heiland,
  du ewiger Gott,
Laß uns nicht entfallen
von des rechten Glaubens Trost.
  Kyrie eleison.

Midden in de angst der hel
 drijft ons onze zonde.
 Waarheen vluchten, als die muil
 haast ons heeft verslonden?
 Alleen tot U, Heer Jezus!
 Want Gij vergoot uw kostbaar bloed,
 dat voor onze schuld voldoet.
 Heilige Here God,
 heilige sterke God,
 heilige barmhartige Heiland,
 Gij eeuwige God,
 laat ons niet ontzinken
 aan de troost van het geloof!
 Kyrie eleison!

Maarten Luther

Gezang 272

Don Carlo Gesualdo (1566–1613)
Candido e verde fiore


Càndido e verde fiore,
Che di speranza e fede,
Tu pur m'inbianchi e mi rinverdi il core.
Lasso, sì come chiaro in te si vede
Il tuo color sincero,
Scorgesse io sì de la mia donna il vero;
O di mia speme allor goder potrei,
O di mia fede ne tormenti miei!

Blanke en groene bloem,
met je geloof en trouw
maak je mijn hart sneeuwwit en lovergroen.
Kon ik, zoals je kleuren zich in jou
oprecht klaar openbaren,
zo ook van mijn dame het ware ontwaren:
hoeveel dat ik dan óf van mijn geloof
óf van mijn trouw, gekweld en wel, genoot!

 

Deh, come invan sospiro


Deh, come invan sospiro,
Deh, come invan vi miro,
Poiché, crudel, voi fate ogni un gioire
Et a me sol morire!
Infelice mia sorte,
Che la vita per me divenga morte.

Ach, wat vergeefs moest ik zuchten,
Vergeefs kijk ik u aan,
daar u wreed ieders euforie beoogt
en van mij slechts de dood.
Oh ongelukkig lot:
dat gauw het leven voor mij sterven wordt!

 

Mille volte il dì


Mille volte il dì moro
e voi, empi sospiri,
non fate, oimè, che in sospirando io spiri.
E tu, alma crudele, se il mio duolo
t’affligge sì, ché non ten fuggi a volo?
Ahi che sol morte al mio duol aspro e rio
divien pietosa, e ancide il viver mio!
Così dunque i sospiri e l’alma mia
sono ver me spietati e morte pia.

Elke dag sterf ik duizend
maal, u, vuige zuchten,
laat me geen laatste ademtochtje zuchten.
Jij, gemene ziel, o wee, als mijn leed
je verdriet, waarom vlieg je toch niet heen?
Over mij en mijn zerpe leed erbarmt
zich slechts de dood en maakt me, ah, van kant!
Zo zijn de zuchten en de ziel eendrachtig
zonder erbarmen, en de dood barmhartig.

 

 

Vertaling: © Evianne de Kup


Francis Poulenc (1899–1963)
Un soir de neige

Bois meurtri

Bois meurtri perdu d’un voyage en hiver
Navire où la neige prend pied
Bois d’asile bois mort où sans espoire je rêve
De la mer aux miroirs crevés

Un grand moment d’eau froide a saisi les noyés
La foule de mon corps en souffre
Je m’affaiblis je me disperse
J’avoue ma vie j’avoue ma mort j’avoue autrui.

Gekwetst bos, verdaald op een reis in de winter
Schip waarop de sneeuw zijn vat heeft gekregen
Bos van toevlucht, door bos waar ik droom zonder hoop
Op een zee van gebroken spiegels.

Een golf koud water heeft verdronkenen gegrepen.
Mijn hele lichaam gekweld
Verzwak ik, raak ik versplinterd.
Ik beken me tot mijn leven, tot mijn dood, tot de anderen.

(poèmes de Paul Éluard)

 

 
Un joueur de flûte berce les ruines  (fluit solo, 1942)

 

La bonne neige

La bonne neige le ciel noir
les branches mortes la détresse
De la forêt pleine de pièges
Honte à la bête pourchassée
La fuite en flêche dans le coeur

De schone sneeuw, de zwarte lucht
De dode takken, de angst
Van het bos vol strikken
Schande over het beest
Dat vlucht als een pijl door het hart.

Les traces d’une proie atroce
Hardi au loup et c’est toujours
Le plus beau loup et c’est toujours
Le dernier vivant que menace
La masse absolue de la mort.

De sporen van een gruwlijke jachtpartij,
Volharding voor de wolf, die altijd
De mooiste is en die altijd
De laatste overlevende is, die bedregd wordt
Door de onverbiddelijke massa van de dood.

 

 

 

Benjamin Britten (1913–1976)
Five Flower Songs (op.47, 1950)

 
1. To Daffodils

Fair daffodils, we weep to see
You haste away so soon;
As yet the early-rising sun
Has not attain'd his noon.
Stay, stay
Until the hasting day
Has run
But to evensong,
And, having pray'd together, we
Will go with you along.

Schone narcissen, wij wenen als wij
jullie zo overhaast zien verdwijnen.
Nog heeft de vroeg opgaande zon
zijn hoogste punt niet bereikt.
Blijf, blijf,
totdat de zich voortreppende dag
maar verstreken is
tot aan de avonddienst;
en na samen gebeden te hebben zullen we
dan met jullie meegaan.

We have short time to stay, as you,
We have as short a spring;
As quick a growth to meet decay,
As you, or anything. We die,
As your hours do, and dry
Away, Like to the summer's rain,
Or as the pearls of morning's dew,
Ne'er to be found again.

We hebben een korte tijd om te blijven, net
als jullie.
We hebben net zo'n kort voorjaar;
net zo'n snelle groei naar verval toe,
net als jullie, of wat dan ook,
sterven wij,
zoals jullie uren dat doen, en we verdrogen
tot niets
evenals de zomerregen;
of zoals de parels van morgendauw
om nooit meer teruggevonden te worden!

Robert Herrick (1591-1674)

 

2. The Succession of the Four Sweet Months

First, April, she with mellow showers
Opens the way for early flowers,
Then after her comes smiling May
In a more rich and sweet array,
Next enters June and brings us more
Gems than those two that went before,
Then (lastly,) July comes and she
More wealth brings in than all those three;
April! May! June! July!

April komt met haar milde regen
de eerste lentebloemen tegen:
Na haar komt mei, zo teder mooi
in rijker en nog zoet're tooi;
Meer nog dan die twee daarvoor
gaat nu juni flonkerend door;
Maar dan is't juli's beurt en zie:
zij overtreft ze alle drie;
april, mei, juni, juli!

 Robert Herrick (1591-1674)

Vertaling: Wijtse Rodenburg

 

3. Marsh Flowers

 

Here the strong mallow strikes her slimy root,
Here the dull night-shade hangs her deadly fruit;
On hills of dust the henbane's faded green,
And pencill'd flower of sickly scent is seen;

Here on its wiry stem, in rigid bloom,
Grows the salt lavender that lacks perfume.
At the wall's base the fiery nettle springs,
With fruit globose and fierce with poison'd stings;
In every chink delights the fern to grow,
With glossy leaf and tawny bloom below:

The few dull flowers that o'er the place are spread
Partake the nature of their fenny bed.

These, with our sea-weeds, rolling up and down,
Form the contracted Flora of our town.

Hier schiet de sterke malve slijmerig wortel,
Hier laat de doffe nachtschade haar dodelijke vrucht hangen; Op hopen afval ziet men van het dolkruid het fletse groen en de ingekleurde bloem met haar ziekelijke geur.
Hier groeit op zijn taaie steel, in starre bloei,
de zilte lavendel die geen geur kent.
Onderaan de muur ontspruit de vurige netel met bolvormige vrucht en vinnig met giftige steken;
In iedere kier vindt de varen het heerlijk om
te groeien, met glimmend blad en daaronder geelbruine blommen:
De paar saaie bloemen die hier en daar verspreid staan hebben dezelfde aard als hun moerassige
ondergrond.
Samen met onze zeewierslierten, die heen en
weer rollen, vormen deze kort samengevat de flora van onze stad.

George Crabbe (1754-1832)

 

 
4. The Evening Primrose

 

When once the sun sinks in the west,
And dew-drops pearl the evening's breast;

Almost as pale as moonbeams are,
Or its companionable star,
The evening primrose opes anew
Its delicate blossoms to the dew
And hermit-like, shunning the light,
Wastes its fair bloom upon the night;
Who, blindfold to its fond caresses,
Knows not the beauty he possesses.
Thus it blooms on while night is by.
When day looks out with open eye,
Bashed at the gaze it cannot shun,
It faints and withers and is gone.

Zodra de zon in het westen daalt,
en dauwdruppels de boezem van de avond
beparelen;
Dan opent, bijna zo bleek als manestralen,
of de ster die haar gezelschap houdt,
de teunisbloem opnieuw
haar fragiele bloemen naar de dauw toe;
En als een kluizenaar, het licht vermijdend,
verspilt ze haar schone bloei aan de nacht;
Die, zonder oog voor haar innige strelingen,
niet weet hoeveel schoonheid hij bezit.
Zo bloeit ze door terwijl het nacht is.
Als de dag uit zijn open ogen kijkt, raakt ze beschaamd voor de blik die ze niet kan ontlopen,
ze bezwijmt en verwelkt en is verdwenen.

John Clare (1793-1864)

 

 

5. The Ballad of Green Broom

 

There was an old man lived out in the wood,
And his trade was a-cutting of broom, green broom,
He had but one son without thought without good
Who lay in his bed till 't was noon, bright noon.

The old man awoke one morning and spoke,
He swore he would fire the room, that room,
If his John would not rise and open his eyes,
And away to the wood to cut broom,
green broom.

So Johnny arose and slipp'd on his clothes
And away to the wood to cut broom, green broom,
He sharpen'd his knives, and for once he contrives
To cut a great bundle of broom, green broom.

When Johnny pass'd under a Lady's fine house,
Pass'd under a Lady's fine room, fine room,
She call'd to her maid: "Go fetch me," she said,
"Go fetch me the boy that sells broom, green broom!"

When Johnny came into the Lady's fine house,
And stood in the Lady's fine room, fine room,
"Young Johnny" she said, "Will you give up your trade
And marry a lady in bloom, full bloom?"

Johnny gave his consent, and to church they both went,
And he wedded the Lady in bloom, full bloom;
At market and fair, all folks do declare,
There's none like the Boy that sold broom,
green broom.

Er woonde een man ergens diep in 't bos,
voor de kost sneed hij Brem, groene Brem.
Hij had maar één zoon, 'n nietsnut gewoon,
die lag in z'n bed heel de dag, heel de dag.

De man, op 'n morgen, werd wakker vol zorgen...
de fik gaat er in, verhief hij z'n stem, luide stem...
als zijn John nu niet opstaat en eind'lijk op weg gaat naar 't bos om te snijden de Brem, groene Brem...

Dus John uit de veren, en gleed in z'n kleren
en naar het bos om te snijden de groene Brem
Met z'n messen geslepen, klaar lukte 't hem zowaar
te snijden een bundel met Brem, groene Brem...

Zo passeerde die Johnny 't huis van een deftige dame
liep langs de statige ramen, van die deftige dame,
die riep naar haar meid: "Zeg breng hem naar mij,
breng me dat jong met de Brem, groene Brem... hé, breng me dat jong!"...

Zo kwam Johnny in 't huis van de dame,
hij stond in 't boudoir van de deftige dame
"Johnny, jongen", zei ze, "Wil jij je baan eraan geven
en trouwen met 'n dame in de bloei van d'r leven?" 

Johnny vond 't wel best, in de kerk ging de rest...
Hij trouwde de dame in de bloei van haar leven:
En op markten en feesten, daar weten de meesten:
er gaat niets boven dat joch; met z'n Brem, groene Brem...


Julius Röntgen (1855–1932)
Gleichwie die grünen Blätter auf einem schönen Baum

 (Jesus Sirach 14:18-27)

Gleichwie die grünen Blätter auf einem schönen Baum,
etliche abfallen, etliche wieder wachsen,
also gehet es mit den Leuten auch,
etliche sterben, etliche werden geboren,
alles vergängliche Ding muss ein Ende nehmen.
Und die damit umgehen, fahren auch mit dahin.
Wohl dem, der stets mit Gottes Wort umgehet,
und dasselbe ausleget und lehret.
Der es von Herzen betrachtet, und gründlich
verstehen lernet,
und der Weisheit immer weiter nachforschet, und
schleicht ihr nach, vor sie hingehet,
und guckt zu ihrem Fenster hinein, und horcht an
der Tür, sucht Herberge nahe bei ihrem Haus,
und richtet an ihren Wand seine Hütte auf, und ist
ihm eine gute Herberge.
Er bringt seine Kinder auch unter ihr Dächlein,
und bleibt unter ihrer Laube.
Darunter wird er vor der Hitze beschirmet, und ist
ihm eine herrliche Wohnung.

Zoals de groene bladeren aan een volle boom,
vele vallen af, andere groeien,
zo gaat het met de mensen ook,
velen sterven, velen worden geboren,
aan al het vergankelijke komt een eind.
En wie daarmee omgaat, gaat mee ten onder.
Gelukkig hij, die zich steeds in Gods woord verdiept,
en het verkondigt en leert.
Die het met heel zijn hart bestudeert en grondig
leert begrijpen,
en de wijsheid zoekt en naspeurt, en haar spoor volgt, voor haar uit loopt,
en door haar ramen naar binnen kijkt, en luistert
aan haar deur, zich dichtbij haar huis vestigt,
en aan haar muur zijn tent opslaat, wat voor hem
een goed onderkomen is.
Hij brengt zijn kinderen ook onder haar beschutting,
en woont onder haar takken.
Daaronder wordt hij tegen de hitte beschermd,
en is voor hem een aangename woning.

 

Es ist ein Schnitter, heisst der Tod -
zetting: Julius Röntgen, 1915

 

 

Es ist ein Schnitter, heißt der Tod, 
hat G'walt vom großen Gott.
Heut wetzt er das Messer, 
es schneid't schon viel besser,
Bald wird er drein schneiden, 
wir müssen's nur leiden
- Hüt dich, schön's Blümelein!

Er is een maaier, heet de dood,
Met macht van de grote God.
Vandaag slijpt hij het mes,
Zodat het nog beter maait,
Spoedig zal hij gaan maaien,
We moeten het wel ondergaan.
- Pas op, mooi bloemetje!

Was heut noch grün und frisch steht, 
wird morgen hinweggemäht.
die edlen Narzissel, 
die himmlischen Schlüssel,
die schön Hyazinthen, 
die türkischen Binden
– Hüt dich, schön's Blümelein!

Wat vandaag nog groen en vers staat,
Wordt morgen weggemaait.
De edele narcissen,
De hemelse sleutelbloemen,
De mooie hyacinten,
De turkse boeketten
- Pas op, mooi bloemetje!

Viel hunderttausend ungezählt 
da unter die Sichel hinfällt.
Rot Rosen, weiß Lillien, 
beid wird er austilgen,
Ihr Kaiserkronen,
man wird euch nicht schonen:
–Hüt dich, schön's Blümelein!

Vele hondertduizenden, ongeteld,
zullen onder de zeis neervallen.
Rode rozen, witte lelies,
Beide zal hij verdelgen,
Jullie keizerskronen
Jullie worden niet gespaard
- Pas op, mooi bloemetje!

Trutz, Tod! Komm her, ich fürcht dich nit! 
Trutz, komm und tu ein’n Schnitt!
Wenn Sichel mich letzet,
so werd ich versetzet
in himmlischen Garten, 
und dort werd ich warten ...
Hüt dich, schön's Blümelein!

Kom op, dood! Ik ben niet bang voor je!
Kom op, kom en doe een haal!
Als de zeis me laaft,
Dan wordt ik heengestuurd,
Naar de hemelse tuin
En daar zal ik wachten...
Pas op, mooi bloemetje!


 

Totentanz - Hugo Distler (1934)

Hugo DistIer heeft voor zijn "Dodendans" inspiratie gevonden bij Lechners "Spreuken" en bij de Lubecker Totentanz (1463). In deze laatste spreekt eerst de stervende mens; de Dood wendt zich in zijn antwoord tot hem en vervolgens tot de volgende, die stervende is.
De "spreuken" zijn ontleend aan de "Chembinischen Wandermann" van Angelus Silesius (1674). Men lette op de verschillende stijl van de spreek-en koorverzen!

Distler heeft later een Variationssuite voor fluitsolo over "Es ist ein Schnitter, heisst der Tod" toegevoegd aan dit stuk, zodat een vervlechting van spreuk, dialoog en fluit is ontstaan. De eenstemmige melodie versterkt in haar eenvoud de meditatieve kant van de Dodendans: door de steeds terugkerende herinnering aan de Maaier, de Dood, wordt de geslotenheid van de Dodendans benadrukt. De keuze voor een fluit verwijst naar duivelse sferen. In de middeleeuwen drukken blaas- en slaginstrumenten immers het rijk van de duivel uit.
Dodendans/danse macabre
In de literatuur en schilderkunst van de late middeleeuwen in heel Europa is de Dodendans een allegorie voor het sterven; de Dood of meerdere Doodsfiguren komen de vertegenwoordigers van alle standen halen, een apocalyptisch beeld. Veel Dodendansen combineren beeld en tekst, waarbij de woorden vaak als dialoog tussen de Dood en het smekende individu verschijnen. De dans als belichaming van de levenden, wordt door de Dood spottend op zijn kop gezet. Het motief van de omgekeerde wereld verwijst naar de narrenthematiek - Dood en Nar zijn beide Vanitas-figuren. Ook een erotisch element valt op: de tegenstelling Dood-Maagd, vindt men terug in "De Dood en het Meisje" in de Europese kunst.
De pest, die in 1347 voor de eerste keer uitbrak, riep op tot boetedoening: de dodendans vervulde hier een opvoedkundige taak - wijzen op de aardse vergankelijkheid, het nadenken over de dood die voor allen, ongeacht rang of stand, komt - en hielp de angst voor de dood te beteugelen. In de 19. en 20. eeuw zijn talrijke Dodendansen gecomponeerd: oorlog, vervolging en vernietiging gaven er alle aanleiding toe. Dit aspect en de hoge muzikale en spirituele kwaliteit van de composities van Lechner en Distler maken duidelijk dat hun boodschap van alle tijden is:
"Die Seele, weil sie ist geborn zur Ewigkeit, hat keine wahren Ruh in Dingen dieser Zeit". (Distler, spreuk 14).
Er bestaan talrijke verbindingen tussen de beide Dodendansen: Distler kende de verzameling van 1606 en noemde de 14 delen van zijn compositie (bij Lechner overigens 15) in navolging ook" spreuken". Beide cycli zijn voor 4-stemmig a capella koor met een opvallend laag register, om de ernst van het thema, de "grafstemming", te onderstrepen. In beide gevallen grijpen de componisten steeds weer terug op een kort motief (4 of 5 noten) om de aforistische stukken samenhang te geven. Beiden gebruiken sprekende metaforen, zoals "het schip des levens".

TOTENTANZ
Dialog von Johannes Klöcking nach dem Lübecker Totentanz Hugo Distler (1908-1942)

Erster Spruch
Laß alles, was du hast,
auf daß du alles nehmst!
Verschmäh die Welt,
daß du sie tausendfach bekömmst!
Im Himmel ist der Tag,
im Abgrund ist die Nacht.
Hier ist die Dämmerung:
Wohl dem, der's recht betracht!
Verzaakt aan wat ge hebt,
opdat u alles neemt!
Versmaadt het slijk der aarde.
Ge krijgt daarvoor terug wel duizendmaal de waarde.
Daarboven is de dag,
beneden is de nacht.
Hier schemert het. Wie wijs is, neemt dat goed in acht.

Der Tod:
Zum Tanz, zum Tanze reiht euch ein:
Kaiser, Bischof, Bürger, Bauer,
arm und reich und gross und klein,
heran zu mir! Hilft keine Trauer.
Wohl dem, der rechter Zeit bedacht,
viel gute Werk vor sich zu bringen,
der seiner Sünd sich losgemacht ­
Heut heisst's: Nach meiner Pfeife springen!De Dood

 

Zweiter Spruch
Mensch, die Figur der Welt vergehet mit der Zeit.
Was trotz'st du dann so viel auf ihre Herrlichkeit?
Mens! ’t Ondermaanse is een tijdelijke zaak;
deszelfs verheerlijkingeen praatje voor de vaak!

Der Kaiser

Der Kaiser:
O Tod, dein jäh Erscheinen
friert mir das Mark in den Gebeinen.
Mussten Könige, Fürsten, Herren
sich vor mir neigen und mich ehren,
dass ich nun soll ohn Gnade werden
gleichwie du, Tod, ein Schleim der Erden?
Der ich den Menschen Haupt und Schirmer -
du machst aus mir ein Speis' der Würmer.

Der Tod:
Herr Kaiser, warst du der Höchste hier,
voran soUst du tanzen neben mir.
Dein war das Schwert der Gerechtigkeit,
zu schlichten den Streit, zu lindem das Leid;
doch Ruhm- und Ehrsucht machten dich blind,
sahst nicht dein eigen grosse Sünd.
Drum fällt dir mein Ruf so schwer in den Sinn. ­-
Halt an, Bischof, den Tanz beginn!


Dritter Spruch
Wann du willst gradeswegs ins ew'ge Leben gehn,
so lass die Welt und dich zur linken Seiten stehn!
Wie zich het eeuwig leven wenst te garanderen,
die moet de wereld en zijn eigen ik negeren.

Der Bischof

Der Bischof
O lieber Herr, wo soll ich hin?
Nirgendwo kann ich dir entfliehn.
Will ich vor, will ich hinter mich sehen,
ich fuhle dich, Tod, stets bei mir stehen,
Was gilt vor dir mein frammer Stand?
Muss alles lassen, was ich fand,
und werd verachteter zur Stund
als ein unrein stinkender Hund.

Der Tod:
Besser als andere solltest du wissen,
dass alle Menschen sterben müssen!
Du standest auf dem Erdenreich
den Aposteln Gottes gleich;
aber mit hoffärtigen Sitten
bist du auf hohem Pferd geritten.
Nun hat sich dein Stolz in Angst gewandt.
Edelmann, halt her dein Hand!

 

 

Vierter Spruch
O Sünder, wann du wohl bedächtst das kurze Nun!
Und dann die Ewigkeit!
Du würdst nichts Böses tun!
Wie zondigt nog, als hij beseft hoe korte tijd
hij maar te leven heeftin ’t licht der eeuwigheid?

Der Edelmann:
Tod, ich bitt, du mögest einhalten!
Lass mich Luft holen vor deinem Schalten!
Meine Zeit hab ich übel verbracht,
Sterben hab ich gering geacht.
Ich dachte nichts als Saufen und Prassen,
schindet' und plagt' mein Untersassen.
Nun soll ich reisen, ob ich nicht will,
und weiss der Reise nicht das Ziel.

Der Tod:
Hättst du dir die Annen mit deinem Gut
zum Fürsprech gemacht, wär dir wohler zu mut;
aber wer durfte van Not und Gebrechen
var dir grossem Herren sprechen!
Deiner Pracht warst du gewärtig,
fur mein Kommen wenig fertig ...
nun bist du verstöret gar und ganz. ­-
Meister Artz, tritt an zum Tanz!

 

 

Fünfter Spruch
Dein bester Freund, dein Leib,
der ist dein ärgster Feind,
er bind't und hält dich auf:
dein bester Freund, so gut er's immer meint!
Hoe goed hij ’t ook bedoelt, uw lijf
 – uw beste vriend –
schaadt u het meest, doordat hiju hier houdt en bindt.

Der Arzt:
Ich bin dein Widerpart gewesen,
half manchen Menschen var dir genesen,
die schwer in Seuchen litten Not.
Kommst du nun zu mir selber, Tod,
da hilft nicht Kunst noch Arzenei,
fuhl gar umsonst den Puls dabei ...
Mein Schwachheit willst du all besehen;
welch Urteil wird mir da geschehen?

Der Tod:
Gerechter Wahrspruch soll dir werden
nach deinen Werken hier auf der Erden.
All dein Tun liegt Gott offenbar:
Du brachtest manchen in Leibesgefahr,
Arme und Kranke schatztest du schwer,
gabst dein Wissen nicht billig her
und prunktest hoch in Gelehrsamkeit. -
­Kaufmann, schnell, mach dich bereit!

 

 

Sechster Spruch
Der Reiche dieser Welt,
was hat er fur Gewinn,
dass er muss mit Verlust von seinem Reichtum ziehn?
Hoeveel de rijke ook
mag hebben opgepot,
zijn eindbalans vertoont toch een nadelig slot.

Der Kaufmann:
Wie sollt ich fur dich bereitet sein!
Ich tat mein Geld in Häuser hinein,
mein Böden sind voll Kornes getragen,
meine Ware liegt auf Schiffen und Wagen ...
Hab selbst viel schwere Fahrt getan­
doch keine ging so hart mich an.
Könnt ich mein Rechnung klar abschliessen,
möcht mich der Tod nicht so verdriessen.

Der Tod:
Wer ehrlich seinen Handel fűhrt,
nicht mehr aufschlägt, als ihm gebührt,
dem wird Gerechtigkeit geschehn,
wenn alle vor dem Richter stehn.
Hast du auf keinen Trug gedacht,
so ist dein Rechnung wohl gemacht,
braucht keine Ziffer mehr hinein. ­
Komm her, Landsknecht, ich warte dein!

 

 

Siebter Spruch
Freund, streiten ist nicht g'nug, du musst auch überwinden,
wo du willst ew'ge Ruh und ew'gen Frieden finden!
Met vechten kunt ge niet volstaan, vriend, overwinnen is nodig,
wilt ge rust eneeuw’ge vrede vinden.

Der Landsknecht:
Ih weiss, mich meinet der Tod.
Schuf andem oft Todesnot -
nun hat sich das scharfe Schwert
wider rnich selber gekehrt.
Will denn niemand mir Gnade geben?
lch bitt dich, Tod, lass mich noch leben,
lass mich noch Gotte dienen bass, den ich bei meinem Handwerk vergass!

Der Tod:
Tritt nur hervor, dir hilft kein Klagen;
musst deinen Packen selber tragen;
glaub schon, er lastet dir genug.
Dein Werke zeugen ohne Trug,
was Gut und Böses du getan;
der Lohn wird dir bemessen dran.
Niemand kann dich vom Urtei1lösen, -
­Schiffmann, dein Zeit ist hie gewesen!

 

 

Achter Spruch
Die Welt ist deine See,
der Schiffmann Gotter Geist,
das Schiff dein Leib, die Seel ist's, die nach Hause reist.
De wereld is uw zee,
God’s geest uw kapitein.
Uw ziel gaat scheep in u,
totdat zij thuis zal zijn.

Der Schiffer:
lch weiss nicht, Tod, wie es konnt geschehn –
­ich hab dich oft mir nah gesehn;
aber wenn ich an Land gesessen,
war aller Guter Vorsatz vergessen.
Mein alter Adam, frech und geil,
betrog mich um mein besser Teil.
Nun steh ich in der Sünden Not,
hilf mir, lieber Herr, durch deinen Tod!
Der Tod:
Hätt'st du Gottes Wort von Jugend an
recht vor deine Augen getan
und fleissig dein Werk danach geübt,
so ständst du nicht um dich selber betrübt.
Du sahst genugsam das End vor Augen;
nun wiIl dein Reue wenig taugen.
Zieh ein die Segel, lass dein Sach!
­Komm, frommer Mann, folg mir gemach!

 

 

Neunter Spruch
Das überlichte Licht schaut man in diesem Leben nicht anders,
als wenn man schier ins Dunkte sich begeben.
Het allerlichtste licht aanschouwt men in dit leven slechts als men zich flink diep in ’t duister heeft begeven.

Der Klausner:
Das Sterben bringt mir wenig Leid;
wär ich nur recht von Grond bereit
und mein Gewissen frei und rein!
Oft brach der Böse bei mir ein
mit Anfechtungen schwer und gross.
Herr, mach mich meiner Sünden los!
lch bekenn und bereu sie von Herzensgrund.
Sei mir gnädig zur letzten Stund!

Der Tod:
Du magst wohl fröhlich tanzen gehn,
im Himmel wirst du auferstehn.
Solche Arbeit, wie du sie getan,
heftet der Seele Flügel an.
Dein Beispiel wär vielen zu Frommen,
würd ihnen nicht so hart ankommen;
aber nun stehn sie da gar sauer. -
­Tritt ein in den Reigen, Ackerbauer!

 

 

Zehnter Spruch
Freund, wer in jener Welt will lauter Rosen brechen,
den müssen z'vor allhier die Dornen g'nugsam stechen.
Slechts wie op aarde flink gestoken is door doornen,
zullen hiernamaals louter rozen zijn beschoren.

Der Bauer:
Mit Tanzen weiss ich nicht Bescheid,
ich hab mein ganze Lebenszeit
mit schwerer Arbeit hingebracht
trog Sorg und Müh bei Tag und Nacht,
wie ich den Acker dazu brächt,
dass er viel Ernte geben möcht.
Stets war ich bang um Zehnt und Pacht;
Deiner hab' ich nicht gedacht.

Der Tod:
Wenn ich dein Tagwerk wohl anseh,
mein ich, dass Gott dich nicht verschmäh.
Dein Einsaat ist, wie auf dem Feld,
auch in dem Himmel wohl bestellt.
Gott wird dir alle Müh zumal
droben lohnen in seinem SaaI.
Drum fiircht dich nun nicht allzusehr. –
­Schön Jungfrau, nach dir steht mein Begehr!

 

 

Elfter Spruch
Auf, auf, der Bräut'gam kommt:
Man geht nicht mit ihm ein,
wo man des Augenblicks nicht kann bereitet sein.
Daar komt de bruidegom!
De bruiloft loopt men mis,
als men er niet steeds op bedacht en klaar voor is.

Die Jungfrau:
Könnt ich doch einen Korb dir geben.
noch jung und schön ein bisschen leben!
Der Welt Lust fang ich an zu schmnecken;
wer mocht unliebre Zeit aushecken?
Pfui, dass du hinter mich gegangen,
in deinem Netze mich zu fangen!
0 lass mich noch kosten das Glück der Erden!
will fromm in meinem Alter werden.

Der Tod:
Bei Nacht umgehen gleich den Dieben,
das ist mein echt und recht Belieben.
Wer jung ist, zeitig in sich kehr!
Der Menschen Lüste trügen sehr.
Niemand bat hier ein bleibende Statt;
der Welt Lust seid ihr balde satt.
Tanzt willig drum nach meiner Weis'! –
­Geh, heb dich von dein'm Lager, Greis!


Zwölfter Spruch
Mensch, wenn dir auf der Welt zu lang wird Weil und Zeit,
so kehr dich nur zu Gott ins Nun der Ewigkeit!
Mens, hebt ge hier op aard’
alleen nog een verleden,
kom dan tot inkeer in God’s eindeloze heden.

Der Greis:
0 Tod, wie bab ich auf dich geharrt!
War allzu lang mein Leidensfahrt.
Konntest mich armen Alten nicht finden?
War dir gesetzt, zu strafen mein Sünden?
Krankheit ist wohl eine schwere Plag,
wie die Welt heut fährt, ich nicht sehen mag. ­–
So wolle Gott meine Fehle vergeben,
mich einlassen in sein ewiges Leben.

Der Tod:
Komm, Alter, fass mich bei der Hand,
du sollst nun in das ander Land.
Dein Leiden wirst du bald vergessen,
wenn du vor Gottes Fuss gesessen.
Da gehn der Engel Melodein
lieblich zu deinen Ohren ein;
all Streit will sich in Einklang fügen. - 
­Folg nun, klein Kindlein in der Wiegen!


.

Dreizehnter Spruch
Die Seele welche hier noch kleiner ist als klein.
Wird in dem Himmelreich der schönste Engel sein
Het zieltje dat op aarde nog kleiner is dan klein,
zal in het paradijs de schoonste engel zijn.

Das Kind:
O Tod, wie soll ich das verstehn,
ich soll tanzen und kann nicht gehn?
wie magst du deinen Ruf anheben,
dass ich solI sterben vor meinem Leben,
abscheiden, eh ich angekommen,
eh denn gegeben, werden genommen?
Wie weinet meine Mutter so sehr!
O gib mich der Erden wieder her!

Der Tod:
Gott weiss, warum er mich pfeifen schickt,
und wen er ohn Sünd zu sich entrückt.
Gott weiss, weshalb er die Guten und Bösen
lässt lang, lässt kurz bie treiben ihr Wesen.
lch pfeif euch zum Frieden, ich pfeif euch zur Qual,
ich pfeif euch in Gottes ewigen Saal.
Ich pfeife so laut, dass jeder mich hört ­ -
Wer ists's, der sich zo Gotte kehrt?

 

 

Vierzehnter Spruch
Die Seele, weil sie ist geborn zur Ewigkeit,
hat keine wahre Ruh in Dingen dieser Zeit.
Drum ist's verwunderlich, dass du die Welt so Iiebst
und aufs Vergängliche dich allzusehr begibst.
De ziel, die voor de eeuwigheid geschapen is,
vindt hier op aarde voor haar dorst geen lafenis.Hoe komt het dan, dat wij zo naar de wereld haken
en ons verliezen in vergankelijke zaken?

De spreuken komen uit de Cherubinischer Wandersmann van Angelus Silesius, de dialogen zijn van Johannes Kl÷cking. De Nederlandse bewerking is gemaakt door Jan Rietveld.