Jusqu'à Josquin


Programma:

  • Guillaume de Machault (c.1300-1377)
    Kyrie uit de 'Messe de Notre-Dame'

  • John Dunstable (c.1390-1453)             
    Quam Pulchra es

  • Guillaume Dufay (c.1400-1474)            
    Nuper Rosarum Flores

  • Johannes Ockeghem   (c.1420-1497)  
    Alma Redemptoris

  • Jacob Obrecht  (c.1450-1505)             
    Agnus Dei uit Missa 'Sub tuum Presidium'

  • Josquin Desprez  (c.1445-1521)            
    Planxit autem David

  • Edmund Turges (c.1450-1508)             
    Gaude Flore Virginali

  • Pauze

  • Alexander Agricola     (1446-1506)     
    Fortuna desperata

  • Francesco Landini       (1325-1397)     
    Deh! Dimmi tu

  • Johannes Ciconia        (c.1335-1411)  
    Una Panthera

  • Anoniem               Ist mi bescheert

  • Fabri                    
    Eer ende Lof

  • Anoniem               Ghisteravent was ic maecht

  • Jacob Obrecht  (c.1450-1505)   
    Moet my lacen

  • Pierre de la Rue          
    Fors seullement 

    Fors Seulement
     

  • Josquin Desprez  (c.1445-1521)  
    Nymphes des
    bois

Programmatoelichting

Zelfs voor veel liefhebbers van “oude muziek” begint de westerse muziekgeschiedenis pas echt met de componist Josquin Desprez (c. 1445–1521).  Heel verwonderlijk is dat niet, want rond 1500 begon de muziek, ten gevolge van de steeds verder doordringende renaissance en het opkomend humanisme, een geheel nieuwe functie te krijgen.  Werd tot ongeveer 1500 de muziek op de Italiaanse universiteiten onderwezen in de faculteit van de mathematica, hierna was de muziek onderwerp van studie in de faculteit van de grammatica.  Met ander woorden: pas rond 1500 begon men muziek te zien als een taal, als een uitdrukking van menselijke gevoelens en gedachten, daarvóór gold een muziekstuk als een architectoraal werk.  Rond 1500 werd het langzaamaan belangrijk dat muziek “begrijpelijk” en “mooi” was, in de periode daarvoor moest muziek vooral “goed” en “juist” zijn en daardoor indrukwekkend.  Waar de muziek van de renaissance uitdrukking geeft aan het menselijke, probeert de muziek van de late middeleeuwen het menselijke juist ver te overstijgen.  Door deze cultuuromslag is voor de huidige westerse mens de muziek van de 14de en 15de eeuw zo ontoegankelijk geworden.  We luisteren er eenvoudig met de verkeerde instelling, met de verkeerde oren naar. 

De 500-jarige herdenking van de dood van Jacob Obrecht (c. 1450–1505) was voor het William Byrd Vocaal Ensemble aanleiding om nu eens een programma samen te stellen met muziek van de 14de en 15de eeuw.  Dat uiteindelijk niet Obrecht zelf maar Obrechts generatiegenoot Josquin Desprez (c. 1445–1521) in de titel van het programma terecht is gekomen, komt doordat Josquin een pionier was in de nieuwe, op taal georiënteerde muziekstijl.  Geldt voor veel koren dan ook dat hun vroegste repertoire bestaat uit werken van Josquin, wij wilden Josquin nu juist eens in het perspectief van de eeuwen daarvoor. 

De eenvoud van de muziek van Josquin moet voor zijn tijdgenoten verpletterend zijn geweest.  Men was gewend geïmponeerd te worden door technische hoogstandjes.  Bij Johannes Ockeghem (c. 1420–1497) vinden we buitengewoon complexe canons en hij schreef bijvoorbeeld ook een mis die door middel van sleutelverwisseling in alle acht kerktonen gezongen kan worden.  Guillaume Dufay (c. 1400–1474) schreef het motet Nuper rosarum flores voor de inwijding van de kathedraal van Florence en in dit motet zijn de verhoudingen van de kathedraal in de muziek terug te vinden.  Obrechts mis Sub tuum presidium begint met een 3-stemmig Kyrie, maar krijgt er ieder deel een stem bij, zodat het Agnus Dei uiteindelijk 7-stemmig is!  Ook verstaanbaarheid stond niet hoog in het vaandel: Obrecht mengt in zijn Agnus Dei maar liefst 4 teksten door elkaar.  En in de 14e-eeuwse muziek zijn lijnen waarop één lettergreep gezongen wordt soms zo lang, dat het vrijwel onmogelijk wordt nog woorden te verstaan.  Trouwens, veel vocale muziek zal vaak uitsluitend instrumentaal gespeeld zijn;  dit was bijvoorbeeld het geval met de Liedekens van Obrecht.  Als gevolg daarvan is van de Liedekens slechts de eerste regel als titel overgeleverd en maar in een paar gevallen kennen we de tekst via een andere bron.

Nee, dan Josquin!  In zijn bijna tien minuten durende zetting van de klaagzang van David op de dood van Saul en Jonathan, Planxit autem David, wordt bijna iedere lettergreep met grote precisie en zorg aan het publiek gepresenteerd.  Hoe zeer Josquin desalniettemin zijn oude leermeester waardeerde, moge blijken uit de aangrijpende klaagzang Nymphes des bois die Josquin bij de dood van Ockeghem schreef.  En voor één keer vlecht hij bij deze gelegenheid nog twee teksten door elkaar: door het gedicht heen klinkt in één stem in lange noten de cantus firmus met de tekst Requiem aeternam, dona eis Domine.

Nico van der Meel