donderdag 30 september 2004,  Stadsgehoorzaal Breestraat Leiden

zaterdag 2 oktober 2004, 20.15

St.Janskerk Vrijthof Maastricht
zaterdag 9 oktober 2004, 20.15 Marekerk Lange Mare Leiden
zondag 10 oktober 2004, 15:00 Oud-Katholieke kerk Bagijnhof Delft

                

Programma:

Muelen                       Altijt zoe moet ik trueren (NDL 13)  
Wintelroy                  Al is den tijt (NDL 23)  
anoniem*                   Ic sach een aerdich vrouken (NDL 22)  
Latre*                         Moet ik om u (NDL 4)  
Zacheus                     Ic en can  my niet (NDL 12)  
Zacheus*                    Mijns liefkens bruyn ooghen (NDL 11)  
Clemens*                   Te schepe waert (NDL 1)  
Episcopius                 Laet varen (NDL 8)  
Episcopius*               O wreede fortuyne (NDL 28)  
Episcopius*               Ghequetst (NDL 27)  

Clemens                     De lustelijcke mey (NDL 24)  
Clemens                     Die voghelkens (NDL 16)  
Latre                           Al hadden wij (NDL 6)  
Salmier*                     Schoon lief, wy moeten scheyden (NDL 14)  
Salmier*                     O scheiden (NDL 15)  
Clemens                     Alle mijn ghepeys (NDL 5)  
Episcopius                 Een bier (NDL 10)

                  PAUZE

Episcopius*               Schoon liefken (NDL 2)  
Episcopius*               Schoon lief, uut charitaten (NDL 3)  
anoniem*                   O vermaledijde liefde (NDL 19)  
Florius*                      Waer mach se sijn (NDL 29)  
Episcopius                 Princersselijck  greyn (NDL 26)  
Clemens                     Meysken wildi vechten (NDL 30)  
Jordain*                      O troost (NDL 17)
anoniem*                   Een aerdich meijsken (NDL 25)  
Evertz*                       Schoon lief, ic mag wel (NDL 18)  
Evertz*                       O Venus jent (NDL 7)  
Evertz                         Ontwaect van slaep (NDL 20)  
anon.                           Wij comen hier gheloopen (NDL 21)  
Episcopius                 Ic sou studeren (NDL 9)

*reconstructie bovenstem(men): Louis Peter Grijp en Nico van der Meel.

Programmatoelichting

Het is in 2004 450 jaar geleden dat de Maastrichtse uitgever Jacob Baethen een verzameling meerstemmige liederen uitgaf onder de naam Niewe Duytsche Liedekens, door musicologen tegenwoordig het Maastrichts Liedboek genoemd.  ‘Duits’ betekent in dit verband gewoon ‘Nederduits’, dat wil zeggen ‘Nederlands’. Het gaat dus om liederen in de Nederlandse taal. Dat was in 1554 een actuele zaak: zoals in alle tijden zongen Nederlanders ook in de zestiende eeuw niet graag in de eigen taal. Dat geldt althans voor die Nederlanders die ook andere talen beheersten, laten we zeggen de gegoede burgerij en de adel. Het Frans overheerste in de wereldlijke muziek van de elite en ook Nederlandstalige componisten schreven bij voorkeur op Franse of eventueel Italiaanse teksten. Dit lokte een reactie uit van Tylman Susato, muziekuitgever te Antwerpen. Susato riep zijn componerende landgenoten op stukken in hun moedertaal bij hem in te leveren. Hij wilde ze uitgeven om te bewijzen dat muziek in de Nederlandse taal even goed kon zijn als in het Frans, Latijn en Italiaans. Susato deed zijn oproep in het Ierste musyck boexken (1551), waarmee hij meteen het goede voorbeeld gaf: in dit bundeltje gaf hij vierstemmige zangmuziek uit in de Nederlandse taal, van diverse componisten. In hetzelfde jaar nog drukte Susato een Tweeste musyck boexken en hij zou de reeks voortzetten met de driestemmige Souterliedekens van Clemens non Papa, in vier deeltjes (1556-1557), en de vierstemmige Souterliedekens van Gerardus Mes, eveneens in vier deeltjes (1561). Betekent deze indrukwekkende reeks van tien uitgaven dat Susato’s oproep algemeen aansloeg? Niet per se: geen van de boekjes werd herdrukt. Susato kan een idealist zijn geweest, of zijn project tegen beter weten in hebben doorgezet –  mogelijk ook uit sympathie met de protestantse zaak, waarnaar de Souterliedekens verwijzen. Meer zegt het dat zijn initiatief navolging kreeg buiten Antwerpen: in 1554 gaf Jacob Baethen in Maastricht een soortgelijk boekje uit en in 1572 Phalesius te Leuven.

De boekjes van Susato en Phalesius zijn vrij bekend en in moderne edities beschikbaar. Het Maastrichtse liedboek van Baethen heeft veel minder aandacht gekregen. Dat is niet verwonderlijk, want de muziek is incompleet. In de zestiende eeuw werd muziek niet in partituur gedrukt, maar in losse stemboekjes. Helaas is een van de vijf stemboekjes van het Maastrichts Liedboek in de loop der eeuwen zoekgeraakt – uitgerekend de sopraanpartij! Toch is Baethens bundel onze aandacht waard. Het bevat vrijwel uitsluitend nieuwe composities: van Susato nam hij slechts een enkel stuk over. Daarentegen ontleende Phalesius voor zijn Duytsch musijck boeck van 1572 maar liefst dertien composities aan Baethens bundel. Daarmee vormt deze een belangrijke schakel in de opleving van Nederlandstalige muziek in de zestiende eeuw. Prof. dr. Louis Peter Grijp en Nico van der Meel hebben in de afgelopen jaren alles op alles gezet om de muziek te reconstrueren. Allereerst is gezocht naar ontbrekende partijen in andere liedboeken. Van de overige composities werd de bovenstem gereconstrueerd, dat wil zeggen: de ontbrekende partij werd weer ingevuld volgens de regels van het strenge contrapunt waaraan de componisten zich in de Renaissance hielden. Omdat de ontbrekende stem de bovenstem is, moest er extra veel aandacht geschonken worden aan de melodievorming, want de sopraan bepaalt nu eenmaal het aangezicht van de compositie. Sommige stukken gebruiken teksten van populaire liedjes uit die tijd en bij de reconstructie is dan ook zoveel mogelijk gebruik gemaakt van het melodisch materiaal van deze liedjes. 450 jaar na de eerste druk is het Maastrichts Liedboek nu weer compleet toegankelijk.

Wat is er nu Maastrichts aan het Maastrichts Liedboek, behalve dat het in die stad is gedrukt en uitgegeven? In elk geval niet de taal. Deze is de standaard-Nederlandse schrijftaal van de tijd en vertoont weinig regionale kleuring. Wel toont het titelblad een gezicht op de stad Maastricht, te herkennen aan het wapenschild met de ster. De bundel bevat ook muziek van enkele Maastrichtse componisten. De belangrijkste is Ludovicus Episcopius, van wie maar liefst zeven composities zijn opgenomen. De stukken met vijf, zes en acht stemmen – waarmee Baethens bundel zich onderscheidt van Susato’s geheel vierstemmige Ierste musyck boexken – zijn allemaal van Episcopius, die daarmee een ereplaats in de bundel inneemt. De componist, geboren in Mechelen, was tientallen jaren kapelmeester aan de Sint Servaas. Een andere componist die bij het drukken van Baethens bundel in Maastricht verbleef, is Franciscus Florius, mogelijk een geboren Maastrichtenaar. Van hem is één driestemmig stukje opgenomen. In het nabijgelegen Luik werkte verder Jean Petit de Latre, die met twee composities is vertegenwoordigd. Van hem gaf Baethen ook een bundel Lamentationes uit. Het is opmerkelijk dat een componist uit een Franstalig gebied Nederlandse teksten op muziek zette. Wel trok De Latre naar het noorden – naar Amersfoort en Utrecht – maar dat was pas na 1554. Zijn biografie is echter verre van compleet en mogelijk heeft De Latre al eerder in een Nederlandstalig gebied gewerkt.

Andere componisten die Baethen koos, waren meer naar het westen werkzaam: Jacobus Clemens non Papa in onder meer Brugge, Den Bosch en wellicht Ieper, Jean Wintelroy in Den Bosch en Servaes van der Muelen in Bergen op Zoom. Alle drie waren verbonden aan geestelijke instellingen. Van hen is Clemens met vijf stukken het best vertegenwoordigd. Tot slot zijn er nog enkele componisten van wie maar heel weinig bekend is: Theo. Evertz, Claudius Salmier, Joan. Zacheus en Pierken Jordain. De laatste was mogelijk een studiegenoot van Baethen uit Leuven. Afgezien van Clemens zijn het dus vooral minder bekende componisten van wie Nederlandstalige composities beschikbaar waren.

Het repertoire in de liedbundels diende als huismuziek voor de betere standen. Waarover zongen zij? Baethen koos minder vaak zotte of boertige teksten dan Susato, maar de teksten die hij koos, mochten er zijn. In het lied Wy comen hier gheloopen zuipen ‘gildekens’ (drinkebroers, doordraaiers) door tot ze platzak zijn, om vervolgens uit de kroeg te worden gesmeten. Dan rest hun slechts het schip van Sinte Reynuut (‘Schoon Op’) te betreden. Een ander schip, vol vrolijke vrouwtjes, ligt klaar bij de serieuze kerkcomponist Clemens non Papa in het lied Te schepe waert! Er zijn ook liedjes met een scabreuze ondertoon, zoals Al hadde wy vijfenveertich bedden van De Latre en het anonieme Een aerdich meysken, seer jonck van jaren. Via Phalesius’ bundel werd een lied van Episcopius bekend over een student die zijn hoofd niet bij de boeken kan houden (Ick zou studeren in eenen hoeck) omdat er teveel lawaai van de markt buiten komt. We horen het luidkeels aanprijzen van almanakken, rijnwijn, spelden en naalden, mosselen, boontjes en rattekruid. Tussendoor bieden schoorsteenvegers en hoeren hun diensten aan en horen we een enkele bedelaar langskomen.

Opvallend is dat het Maastrichts Liedboek een flink aantal meiliederen bevat. De meeste van deze meiliederen zijn vrolijk van aard, maar soms – zoals in het lied Die voghelkens vrolick ruyten – veroorzaakt de confrontatie met de uitbundige natuur juist diep verdriet bij de ik-figuur. Het is kenmerkend voor het Maastrichts Liedboek dat zelfs uit een vrolijk onderwerp een droef lied tevoorschijn kan komen. Anders dan in de bundel van Susato – waarin zotte liederen over gildekens en willige meiskens de boventoon voeren – is bij Baethen de meerderheid van de liederen gewijd aan thema’s als de onbeantwoorde liefde of het gedwongen afscheid. In meerdere liederen wordt het ‘schoon liefken’ tevergeefs gesmeekt troost te schenken en veroorzaakt het ‘scheyden’ diepe wonden. Deze melancholie komt het muzikale gehalte van de bundel overigens beslist ten goede.

Toelichting door prof. dr. Louis Peter Grijp, bewerkt door Nico van der Meel.

Recensie