affmartin.jpg (54607 bytes)
Programma Martin

Felix Mendelssohn Bartholdy (1809-1847)
Richte mich, Gott (Ps.43)
Mein Gott, warum hast du mich verlassen? (Ps.22)

Max Reger (1873-1916)
O Tod, wie bitter bist du op.110, nr.3

Hugo Wolf (1860-1903)
Letzte Bitte
Resignation
Einkehr
(uit: Sechs geistliche Lieder nach Gedichten von Eichendorff)

Johannes Brahms (1833-1897)
Warum ist das Licht gegeben dem Mühseligen? op.74, nr.1

Pauze

Frank Martin (1890-1974)
Mis voor dubbelkoor

 

 


Toelichting

Frank Martin

(1890-1974) behoort met Honegger tot de belangrijkste Zwitserse componisten van de 20e eeuw. Zijn oeuvre omvat werken in vrijwel alle genres: balletten, toneelmuziek, oratoria, opera, orkestwerken, liederen, kamermuziek en piano- en orgelwerken.

In 1940 huwde Martin een Nederlandse. Na de oorlog, in 1946, vestigden zij zich aanvankelijk in Amsterdam. Tien jaar later verhuisden zij naar Naarden. Tot aan zijn dood heeft Martin daar gewoond. In Zwitserland had hij aan conservatoria les gegeven, maar in Nederland leidde hij een teruggetrokken bestaan om zich volop op het componeren te kunnen richten. Zijn internationale erkenning wekte zelfs aanvankelijk gevoelens van jaloezie in het Nederlands muziekleven. Zijn muziek is echter van blijvende invloed gebleken.

Veel heeft hij te danken aan het muzikale milieu waarin hij in Genève opgroeide. Omringd door negen oudere, musicerende broers en zusters raakte hij bekend met de rijke traditie van de Duitse kamermuziek en begon op 8-jarige leeftijd met componeren. Een uitvoering van de Matthäus-Passion van Bach die hij als 12-jarige bijwoonde heeft een blijvend effect gehad. Bach is voor Martin altijd de ware meester gebleven.

Martins belangrijkste a capella-compositie is de mis voor dubbelkoor. Hij componeerde het grootste deel van dit monumentale werk in 1922; alleen het Agnus Dei ontstond in 1926. In deze periode was hij nog niet beïnvloed door de 12-toons techniek van Arnold Schönberg en was op zoek naar een eigen muzikale taal. Van allerlei invloeden is wel iets terug te vinden in deze vroege compositie, maar toch is deze mis een volledig persoonlijk werk. Er is nauwelijks sprake van grote pathetiek, er klinkt een ontroerende eerlijke beschouwing. Het werk was voor Martin zelfs zo persoonlijk, dat hij de muziek lange tijd niet aan de openbaarheid prijs wilde geven. De mis voor dubbel koor werd pas in 1963 voor het eerst in Hamburg uitgevoerd.

Typerend voor de grote Duitse componisten die voor de pauze op het programma staan is dat zij, net als Martin, grote belangstelling hadden voor oude muziek. Bovenal bij religieuze composities komt die hang naar de muziek van de grote voorgangers naar voren. Blijkbaar vonden zij die archaïsche invloed passend voor kerkmuziek. Johannes Brahms (1833-1897) maakte een studie van de werken van Schütz in de periode dat hij werkte aan het Deutsches Requiem. Felix Mendelssohn Bartholdy (1809-1847) bestudeerde de werken van Händel in de British Library in Londen, in Rome de polyfonie van Allegri en Palestrina en in Duitsland herontdekte hij Pergolesi en Lassus. En misschien is zijn allergrootste verdienste wel dat hij als dirigent Bachs Matthäus-Passion herontdekte en uitvoerde. Max Reger (1873-1916) was vooral door het feit dat hij organist was zeer betrokken bij het werk van Bach. De werken van Brahms, Mendelssohn en Max Reger die op het programma staan zijn gecomponeerd met de grote Bach in het achterhoofd. Maar dit komt natuurlijk meer in de vorm tot uiting dan in het gebruik van muzikale uitdrukkingsmiddelen; die laatste zijn die van romantiek ten voeten uit. Mein Gott van Mendelssohn is een noodkreet die door merg en been gaat, O Tod van Reger is hard als graniet en Warum van Brahms geeft een zeldzaam mooie en eerlijke vertoning van berusting bij onverklaarbaar leed.

Alleen de volstrekt intuïtief opererende Hugo Wolf (1860-1903) onttrekt zich geheel aan het stramien. De teksten van de Sechs geistliche Lieder zijn niet afkomstig uit de bijbel. Het zijn hoogst curieuze uitingen van persoonlijke religieuze ervaringen van de hand van Joseph von Eichendorff (1788-1857). Deze individuele uitingen van vervreemding zijn door Wolf op geheel eigen wijze getoonzet. De harmonieën verraden een sterke invloed van Richard Wagner, maar eigen aan Wolf is dat hij daarbij zo nu en dan alle regels van de klassieke compositieleer schendt. De zoektocht naar een eigen stijl, de grote literaire belangstelling en het heel persoonlijk karakter van zijn composities geven hier de verbinding met Frank Martin.

 


 

 

Teksten

Felix Mendelssohn Bartholdy:
Der dreiundvierzigste Psalm

Richte mich, Gott, und führe meine Sache wider das unheilige Volk.
Und errette mich von den falschen und bösen Leuten.
Doe mij recht, o God, en voer mijn rechtsgeding tegen een volk zonder godsvrucht; doe mij ontkomen aan den man van bedrog en onrecht.
Denn du bist der Gott meiner Stärke, warum verstössest du mich?
Warum lässest du mich so traurig gehn, wenn mein Feind mich drängt?
Want Gij zijt de God mijner toevlucht;
waarom verstoot Gij mij?
Waarom ga ik in het zwart,
vanwege des vijands onderdrukking?
Sende dein Licht und deine Wahrheit, dass sie mich leiten zu deinem heiligen Berge, und zu deiner Wohnung. Zend uw licht en uw waarheid; mogen die mij geleiden, mij brengen naar uw heiligen berg en naar uw woningen,
Dass ich hinein gehe zum Altar Gottes, zu dem Gott, der meine Freude und Wonne ist, und dir, Gott, auf der Harfe danke, mein Gott. zodat ik kan gaan tot Gods altaar, tot den God mijner jubelende vreugde, en u loven met de citer, o God, mijn God!
Was betrübst du dich meine Seele, und bist so unruhig in mir? Harre auf Gott! Denn ich werde ihm noch danken, dass er meines Angesichts Hülfe, und mein Gott ist. Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal hem nog loven mijn verlosser en mijn God.

 

 

 

Felix Mendelssohn Bartholdy:
Der zweiundzwanzigste Psalm

Mein Gott, mein Gott, warum hast du mich verlassen? Ich heule, aber meine Hülfe ist fern. Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? Ik kerm, maar mijne hulp is ver.
Mein Gott, des Tages rufe ich, so antwortest du nicht; und des Nachts schweige ich auch nicht. Mijn God, bij dag roep ik, zo antwoordt Gij niet; en des nachts zwijg ik ook niet.
Aber du bist heilig, der du wohnest unter dem Lobe Israels. Maar Gij zijt heilig, Gij, die onder de lofgezangen van Israël woont.
Unsre Väter hofften auf dich; und da sie hofften, halfst du ihnen aus. Onze vaders hoopten op U; en toen zij hoopten, hielpt Gij hen uit;
Zu dir schrieen sie und wurden errettet; sie hofften auf dich und wurden nicht zu Schanden. tot U riepen zij en werden gered, zij hoopten op U en werden niet te schande.
Ich aber bin ein Wurm, und kein Mensch, ein Spott der Leute und Verachtung des Volks. Maar ik ben een worm en geen mens, een spot der lieden en ene verachting des volks.
Alle, die mich sehen, spotten meines, sper-ren das Maul auf und schütteln den Kopf: Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de tong uit en schudden het hoofd:
"Er klage es dem Herrn; der helfe ihm aus und errette ihn, hat er Lust zu ihm." Hij klage het den Heer, dat die hem helpe en hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft!
Ich bin ausgeschüttet wie Wasser, alle meine Gebeine haben sich gertrennt; mein Herz ist in meinem Leibe wie zerschmolzes Wachs. Ik ben uitgegoten als water, al mijne beenderen hebben zich van één gescheiden; mijn hart is in mijn lijf als gesmolten was.
Meine Kräfte sind vertrocknet wie eine Scherbe, und meine Zunge klebt am Gaumen, und du legst mich in des Todes Staub. Mijn krachten zijn verdroogd als ene potscherf, en mijne tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt in het stof des doods mij neder.
Denn Hunde haben mich umgeben, und der Bösen Rotte hat sich um mich gemacht; sie haben meine Hände und Füße durchgraben. Want honden hebben mij omringd en een rot van boosdoeners heeft zich rondom mij gevoegd; zij hebben mijne handen en voeten doorgraven.
Sie theilen meine Kleider unter sich und werfen das Loos um mein Gewand. Zij delen mijne klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.
Aber du, Herr, sei nicht ferne; meine Stärke, eile mir zu helfen! Maar Gij, Heer, wees niet verre, mijne sterkte, haast U om mij te helpen.
Errette meine Seele vom Schwert, meine Einsame von den Hunden! Red mijne ziel van het zwaard, mijne enige uit de macht der honden.
Hilf mir aus dem Rachen des Löwen und errette mich von den Einhörnern! Help mij uit den muil van den leeuw, en red mij van den eenhoorn.
Ich will deinen Namen predigen meinen Brüdern; ich will dich in der Gemeinde rühmen. Ik wil uwen naam mijnen broederen prediken, ik wil U in de gemeente roemen.
Rühmet den Herrn, die ihr ihn fürchtet; es ehre ihn aller Same Jakobs, und vor ihm scheue sich aller Same Israels. Roemt den Heer, gij die Hem vreest; Hem ere al het zaad van Israël.
Denn er hat nicht verachtet noch verschmäht das Elend des Armen und sein Antlitz nicht vor ihm verborgen; und da er zu ihm schrie, hörte er es. Want Hij heeft niet veracht noch versmaad de ellende des armen, en zijn aangezicht voor hem niet verborgen; en toen hij tot Hem riep, hoorde Hij het.
Dich will ich preisen in der grossen Gemeinde; ich will mein Gelübde bezahlen vor denen, die ihn fürchten. Ik wil U prijzen in de grote gemeente, ik wil mijne geloften betalen, voor degenen, die Hem vrezen.
Die Elenden sollen essen, dass sie satt werden; und die nach dem Herrn fragen, werden ihn preisen; Euer Herz soll ewiglich leben. De ellendigen zullen eten, dat zij verzadigd worden, en die naar den Heer vragen, zullen Hem prijzen; uw hart leve eeuwiglijk.
Es werde gedacht aller Welt Ende, dass sie sich zum Herrn bekehren, und vor ihm anbeten alle Geschlechter der Heiden. Alle einden der wereld zullen dit gedenken en zich tot den Heer bekeren, en voor Hem zullen alle geslachten der volken aanbidden;
Denn des Herr hat ein Reich, und er herrscht unter den Heiden. Want de Heer heeft het rijk, en Hij heerst over de volken.

 

 

Max Reger: O Tod, wie bitter bist du
(wijsheid van Jesus Sirach: 41, 1-2)

O Tod, wie bitter bist du, wenn an dich gedenket ein Mensch, der gute Tage und genug hat, und ohne Sorgen lebet und dem es wohl geht in allen Dingen und wohl noch essen mag! O dood, hoe bitter is de gedachte aan u
voor de mens die in vrede leeft te midden van zijn bezittingen, voor de man die ongeschokt is en in alles voorspoedig, nog sterk genoeg om van spijzen te genieten.
O Tod, wie wohl tust du
dem Dürftigen, der da schwach und alt ist, der in allen Sorgen steckt und nichts Bessers zu hoffen noch zu erwarten hat;
O dood, hoe goed is uw beslissing
over de mens die gebrek lijdt en afneemt in krachten, over de stokoude, en degene die over alles in zorgen zit, over de opstandige, en hem die zijn weerstand heeft verloren.

 

Hugo Wolf: Letzte Bitte

(uit: Sechs geistliche Lieder nach Gedichten von Eichendorff)

Wie ein todeswunder Streiter,
Der den Weg verloren hat,
Schwank’ ich nun und kann nicht weiter,
Von dem Leben sterbensmatt.
Als een dodelijk verwonde strijder,
Die de weg is kwijtgeraakt,
Wankel ik nu en kan niet verder,
Van het leven moe gemaakt.
Nacht schon dekket alle Müden,
Und so still ist’s um mich her,
Herr, auch mir gib endlich Frieden,
Denn ich wünsch’ und hoff’ nichts mehr.
De nacht bedekt reeds alle vermoeiden,
En de rust heerst om mij heen,
Heer, geef mij eindelijk de vrede,
Want ik wens en hoop niets meer

 

Hugo Wolf: Resignation

(uit: Sechs geistliche Lieder nach Gedichten von Eichendorff)

Komm, Trost der Welt, du stille Nacht!
Wie steigst du von den Bergen sacht,
die Lüfte alle schlafen;
ein Schiffer nur noch, wandermüd,
singt übers Meer sein Abendlied
zu Gottes Lob im Hafen.
Kom, troost van de wereld, jij stille nacht!
Hoe rijs je op uit de bergen zo zacht,
Alle luchten slapen;
Slechts een enkele schipper, moe van het reizen, zingt over de zee zijn avondlied
tot lof van God in de haven.
Die Jahre wie die Wolken geh’n
und lassen mich hier einsam steh’n,
Die Welt hat mich vergessen.
Da trat’st du wunderbar zu mir,
als ich beim Waldesrauschen hier
gedankenvoll gesessen.
De jaren vervliegen als wolken
En laten mij hier eenzaam achter,
Hoe de wereld mij vergat!
Daar kwam jij als een wonder tot mij,
Terwijl ik, bij het ruisen van het bos,
Hier in gedachten verzonken zat.
O Trost der Welt, du stille Nacht!
Der Tag hat mich so müd gemacht,
Das weite Meer schon dunkelt;
Lass’ ausruh’n mich von Lust und Not,
Bis daß das ew’ge Morgenrot
den stillen Wald durchfunkelt.
O troost van de wereld, jij stille nacht!
De dag heeft mij zo moe gemaakt,
De wijde zee wordt al donker,
Laat me rusten van vermaak en gebrek,
Totdat het eeuwige morgenrood,
Door het stille woud schittert.

 

Hugo Wolf: Einkehr

(uit: Sechs geistliche Lieder nach Gedichten von Eichendorff)

Weil jetzo alles stille ist
und alle Menschen schlafen,
mein Seel’ das ew’ge Licht begrüßt,
Ruht wie ein Schiff im Hafen.
Omdat thans alles rustig is
En alle mensen slapen,
Begroet mijn ziel het eeuwige licht,
Rust als een schip in de haven.
Der falsche Fleiß, die Eitelkeit,
Was keinen mag erlaben,
Darin der Tag das Herz zerstreut,
Liegt alles tief begraben.
De valse ijver, de ijdelheid,
Die geen verkwikken kan,
Wat dat betreft verwart de dag het hart,
Wordt alles zwaar bedolven.
Ein andrer König wundergleich,
mit königlichen Sinnen,
zieht herrlich ein im stillen Reich,
besteigt die ew’ge Zinnen.
Een andere koning evenwel,
Met koninklijke trekken,
Betreedt vorstelijk het stille rijk,
Beklimt de eeuwige toppen.

 

Johannes Brahms: Warum ist das Licht gegeben dem Mühseligen

(deel 1 Job 3:20-23, deel 2 Klaagliederen 4:41, deel 3 Jacobus 5:11, deel 4 Maarten Luther.)

Warum ist das Licht gegeben dem Mühseligen und das Leben den betrübten Herzen?
Die des Todes warten, und kommt nicht, und grüben ihn wohl aus dem Verborgenen;
die sich fast freuen und sind fröhlich, daß sie das Grab bekommen.
Und dem Manne, deß Weg verborgen ist, und Gott vor ihm denselben bedecket.
Waarom geeft Hij rampspoedigen het licht,
en het leven aan hen die bitter bedroefd zijn?
Zij wachten op den dood, en hij komt niet,
zij graven er naar, meer dan naar verborgen schatten, zij zouden zich verheugen tot jubelens toe, blijde zijn, wanneer zij het graf gevonden hadden.
(Waarom geeft Hij het licht) aan een man wiens weg verborgen is, wien God elken weg heeft afgesneden?
Lasset uns unser Herz samt den Händen aufheben zu Gott im Himmel. Laten wij met de handen ons hart opheffen
tot God in de hemel.
Siehe, wir preisen selig, die erduldet haben. Die Geduld Hiobs habt ihr gehöret, und das Ende des Herrn habt ihr gesehen; denn der Herr ist barmherzig und ein Erbarmer. Zie, wij prijzen hen zalig, die volhard hebben;
gij hebt van de volharding van Job gehoord en gij hebt uit het einde, dat de Heere deed volgen, gezien, dat de Here rijk is aan barmhartigheid en ontferming.
Mit Fried und Freud ich fahr dahin,
in Gottes Willen,
getrost ist mir mein Herz und Sinn,
sanft und stille.
Wie Gott mir verheißen hat,
der Tod ist mir Schlaf worden.
Met vrede en vreugde ga ik heen
naar Gods wil
mijn hart en zinnen zijn getroost,
zacht en stil.
Zoals God beloofd heeft,
is de dood mij slaap geworden.

 

 

Frank Martin: Mis voor dubbelkoor

Kyrie

Kyrie eleison. Heer, ontferm u over ons.
Christe eleison. Christus, ontferm u over ons.
Kyrie eleison. Heer, ontferm u over ons.

 

Gloria

Gloria in excelsis Deo. Eer zij God in den hoge
Et in terra pax hominibus bonae voluntatis. En vrede op aarde aan de mensen van goede wil.
Laudamus te, benedicimus te, adoramus te, glorificamus te. Wij loven U, wij zegenen U, wij aanbidden U, wij verheerlijken U.
Gratias agimus tibi propter magnam gloriam tuam. Wij danken U om Uw grote heerlijkheid.
Domine Deus, Rex coelestis, Deus Pater omnipotens. Heer God, hemelse Koning, God almachtige Vader.
Domine Fili unigenite Jesu Christe. Heer, eniggeboren Zoon, Jezus Christus.
Domine Deus, Agnus Dei, Filius Patris. Heer God, Lam Gods, Zoon van der Vader.
Qui tollis peccata mundi, miserere nobis. Hij die wegneemt de zonden der wereld, ontferm U over ons.
Suscipe deprecationem nostram. Ontvang onze smeekbede.
Qui sedes ad dextram Patris, O miserere nobis. Hij, die zit aan de rechterhand van de Vader, ontferm U over ons.
Quoniam tu solus Sanctus, tu solus Dominus, tu solus Altissimus, Jesu Christe. Want alleen U bent heilig, U alleen Heer, U alleen de Allerhoogste, Jezus Christus.
Cum Sancto Spiritu in gloria Dei Patris.
Amen.
Met de Heilige Geest, in de glorie van God de Vader. Amen.

 

Credo

Credo in unum Deum; Patrem omnipotentem, factorem coeli et terrae, visibilium omnium et invisibilium. Ik geloof in één God, de Almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde, van alle zichtbare en onzichtbare dingen.
Credo in unum Dominum Jesum Christum, Filium Dei unigenitum, et ex Patre natum ante omnia saecula. En in één Heer, Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, uit de Vader geboren vóór alle eeuwen.
Deum de Deo, lumen de lumine, Deum verum de Deo vero, genitum non factum, consubstantialem Patri: per quem omnia facta sunt. God van God, licht uit licht, waarlijke God van de waarlijke God. Geboren en niet gemaakt, één van wezen met de Vader, door wie alles gemaakt is.
Qui propter nos homines, et propter nostram salutem descendit de coelis. Die om ons mensen en om onze redding uit de hemel is nedergedaald.
Et incarnatus est de Spiritu Sancto ex Maria Virgine: et homo factus est. En Hij is vleesgeworden uit de Heilige Geest en de Maagd Maria: en Hij is mens geworden.
Crucifixus etiam pro nobis sub Pontio Pilato, passus et sepultus est. Hij is zelfs voor ons gekruisigd, heeft geleden onder Pontius Pilatus en is begraven.
Et resurrexit tertia die secundum Scripturas. En op de derde dag is hij opgestaan, overeenkomstig de schriften.
Et ascendit in coelum: sedet ad dexteram Patris. Hij is opgevaren ten hemel: waar hij zetelt aan de rechterhand des Vaders.
Et iterum venturus est cum gloria, judicare vivos et mortuos: cujus regni non erit finis. En hij zal wederkeren met heerlijkheid om te oordelen de levenden en de doden; en zijn heerschappij zal geen einde kennen.
Credo in Spiritum Sanctum, Dominum, et vivificantem: qui ex Patre Filioque procedit. En ik geloof in de Heilige Geest, de Heer en levensbrenger: Die uit de Vader en de Zoon voortkomt.
Qui cum Patre et Filio simul adoratur et conglorificatur: qui locutus est per Prophetas. Die met de Vader en de Zoon tezamen wordt aanbeden en verheerlijkt: die aangekondigd is door de Profeten.
Credo in unam sanctam catholicam et apostolicam Ecclesiam. En in één heilige, algemene en apostolische kerk.
Confiteor unum baptisma, in remissionem peccatorum. Ik belijd één doop ter vergeving van de zonden.
Et expecto resurrectionem mortuorum et vitam venturi saeculi.
Amen.
En ik verwacht de wederopstanding der doden, en het eeuwige leven.

Amen.

 

Sanctus

Sanctus, sanctus, sanctus, Dominus Deus
Sabaoth.
Heilig, heilig, heilig, de heer der hemelse machten.
Pleni sunt coeli et terra gloria tua. Vol zijn hemel en aarde van Uw heerlijkheid.
Hosanna in excelsis. Hosanna in den hoge.
Benedictus qui venit in nomine Domini, Gezegend, hij die komt in de naam des Heren.
Hosanna in excelsis. Hosanna in den hoge.

 

Agnus dei

Agnus dei, qui tollis peccata mundi: miserere nobis. Lam Gods, dat weg neemt de zonden der wereld, ontferm U over ons.
Agnus dei, qui tollis peccata mundi: dona nobis pacem. Lam Gods, dat weg neemt de zonden der wereld, geef ons vrede.

 

 

Aan deze concerten werkten mee:

Sopranen
Rosanne de Clercq
Judith Dijs
Titia Heijst
Marjan Meeuwsen
Pauline van der Meer
Christa Minderaa
Sanne Nieuwenhuijsen
Claudia Sternberg
Janneke van Vucht

Alten
Marianne van de Beukel
Dorine Bernard
Annelies Korff de Gidts
Ida Los
Godelief Mallee
Hanna Thuránszky
Sanneke Verhagen

Tenoren
Rob van Dam
André Hoekema
Theo Janson
Marcel Menz
Niek Nieuwenhuijsen
Daan Verlaan
Paul van der Werf

Bassen
Gijsbert Baldee
Wim Bel
Cor Haaring
Frits Hali
Robin Oomkes
Jouke Osinga
Andreas Polman
Ton Stauttener
Guido Veuger

Dirigent:
Nico van der Meel.

 

logo.gif (8656 bytes)

 

Postbus 70, 2300 AB Leiden; Postbank 5676811 t.n.v. William Byrd Vocaal Ensemble te Leiden