Programma:

Magnificat  
O Lord make thy servant Elisabeth  
Miserere nostri  
A New Commandment  
Nunc Dimittis

Thomas Tallis  
William Byrd   
Thomas Tallis  
Thomas Tallis  
William Byrd

This sweet and merry month of May  
Fond Youth is a Bubble  
Though Amarillis dance in green  
Infelix ego  (G. Savonarola)  
Ye sacred muses  (elegy for Thomas Tallis)

William Byrd  
Thomas Tallis  
William Byrd  
William Byrd  
William Byrd

pauze

 

Choral Dances from Gloriana  (W. Plomer)
- Time
- Concord
- Time and Concord
- Country Girls
- Rustics and Fishermen
- Final Dance of Homage

Benjamin Britten

Requiem
- Salvator Mundi
- Psalm 23
- Requiem aeternam (1)
- Psalm 121|
- Requiem aeternam (2)
- I heard a voice from heaven

Herbert Howells

Hymn to St. Cecilia  (W.H. Auden)

Benjamin Britten

Programmatoelichting

De 16e eeuw was een turbulente periode in de Engelse geschiedenis. In 1534 vaardigde koning Hendrik VIII de Act of Supremacy uit, waarmee de Engelse kerk zich losmaakte van Rome en een onafhankelijke staatskerk werd. Met de invoering, door Hendriks zoon Edward VI, van het Edwardian Book of Common Prayer, een Engelstalig gebedenboek (dat nog steeds de basis voor het Engelse kerkleven vormt), kreeg de staatskerk een uitgesproken protestants karakter en werd het Engels de taal van de eredienst, en dus ook van de geestelijke muziek. Na Edwards vroege dood in 1553 wist Mary Tudor (“Bloody Mary”) zich van de troon te verzekeren. Zij was een dochter van Hendrik VIII en diens eerste vrouw, Catharina van Aragon, en net als haar moeder streng katholiek. In haar korte regeerperiode trachtte zij de door Hendrik en Edward ingevoerde veranderingen terug te draaien, en gaf ze de contrareformatie en de inquisitie vrij spel. Na Mary’s dood in 1558 besteeg tenslotte Elisabeth I de troon, die onmiddellijk alle door Mary ingevoerde veranderingen ongedaan maakte. De breuk met Rome werd definitief, en de oorlog met het katholieke Spanje gaf hieraan een des te sterkere politieke lading.  

Tegen de achtergrond van deze gebeurtenissen beleefde de Engelse muziek een unieke bloei. Centrale figuren in deze periode waren Thomas Tallis (1505-1585) en William Byrd (1543-1623). Beiden waren voor het grootste deel van hun leven aan het hof verbonden, beiden waren katholiek, en beiden zouden de gevolgen van de politieke gebeurtenissen van nabij ondervinden. In Tallis’ vroege periode was de Latijnse polyfone kathedraalmuziek van componisten als Tye en Taverner de norm. Tallis’ Magnificat is weliswaar moderner van stijl, maar met zijn “alternatim” vorm van Gregoriaanse zang afgewisseld met polyfone zettingen, nog steeds een bij uitstek katholiek werk.

De invoering van het Edwardian Book of Common Prayer in 1549 dwong componisten niet alleen tot het gebruiken van de Engelse taal, maar, ter wille van de verstaanbaarheid, ook tot een drastische versobering van muzikale stijl. In plaats van veelstemmige polyfone motetten kwamen grotendeels homofone, vierstemmige anthems, die in de handen van meesters als Tallis en Byrd echter even zovele pareltjes van eenvoud opleverden. Tallis’ “A new commandment” en Byrds “O Lord, make thy servant Elisabeth” zijn voorbeelden van deze stijl.  

Het Latijn verdween echter niet volledig, en bleef toegestaan op plaatsen waar het begrepen werd. Vele machtige Engelse families hadden katholieke sympathieën, en Elisabeth had hun steun nodig. In 1575 verkregen Tallis en Byrd gezamenlijk van Elisabeth het monopolie op het drukken en publiceren van muziek. Dit resulteerde in de publicatie van een bundel Cantiones Sacrae (op Latijnse teksten) met daarin 17 motetten van Tallis en 17 van Byrd, en opgedragen aan Elisabeth die in dat jaar haar 17-jarig troonsjubileum vierde. Tallis’ “Miserere nostri” is afkomstig uit deze bundel. Dit 7-stemmige meesterwerkje van contrapunt met drie gelijktijdige canons (waarvan twee in dubbele vergroting) grijpt openlijk terug op de polyfone katholieke stijl van 50 jaar eerder. Dat dit niet zonder protesten bleef, blijkt uit de in het parlement gehoorde klacht “They tosse their psalms like tennice-balls”.

Voor de openlijk katholieke Byrd werd het hofleven steeds moeilijker. Herhaaldelijk werd hij voor het niet bijwonen van de protestantse eredienst beboet (met het voor die tijd enorme bedrag van 200 pond). Rond 1580 begon de vervolging van katholieken ernstige vormen aan te nemen. Vooraanstaande katholieken werden terechtgesteld. Byrd bracht nog slechts weinig tijd door aan het hof, maar verbleef bij machtige katholieke beschermers zoals de hertog van Worcester (volgens Elisabeth “a stiff papist and a good subject”). Uit deze periode dateert het motet “Infelix ego”. Byrds keuze voor de tekst van dit motet, van de hand van de Italiaanse prediker Girolamo Savonarola, maakt duidelijk dat hij voor zijn leven vreesde: Savonarola schreef deze tekst in 1498 in de kerker in Florence, de nacht voordat hij wegens ketterij zou worden opgehangen. Ook muzikaal is dit motet een duidelijk statement, dat in stijl teruggrijpt op de grote polyfone katholieke kathedraalmuziek.

Overigens nam de vervolging van katholieken af in de vroege jaren van de 17e eeuw, hetgeen Byrd aangreep met de publicatie van twee bundels “Gradualia”, die qua samenstelling openlijk katholiek van karakter zijn. Het “Nunc dimittis” van dit programma is uit de eerste van deze bundels afkomstig.

Ook de niet-geestelijke muziek maakte aan het einde van de 16e eeuw een stormachtige ontwikkeling door. Zingen – met begeleiding van luit of gambaconsort of in kleine ensembles – werd een populair tijdverdrijf onder de betere families. Byrd publiceerde verscheidene bundels “Psalms, Songs and Sonnets, fit for voyces or viols”, die duidelijk voor huiselijk gebruik bedoeld zijn (“to perswade every one to learne to singe” volgens Byrds voorwoord bij deze bundels). “This sweet and merry month of May” en “Though Amaryllis dance in green” zijn uit deze bundels afkomstig. Tallis’ “Fond youth is a bubble” is ook bekend met de geestelijke tekst “Purge me o Lord”.

Een bijzondere plaats neemt Byrds klaaglied “Ye sacred muses” op de dood van Thomas Tallis in. Byrd plaatst zichzelf hiermee in een lange traditie van componisten die het overlijden van bevriende collega-componisten muzikaal herdachten. Door Byrd geschreven als “consort song” voor solostem en gambaconsort, wordt het stuk hier volledig vocaal uitgevoerd, een procedure die ook in de 16e eeuw niet ongebruikelijk was. Met dit werk, dat een ontroerend eerbetoon vormt aan Byrds leraar en vriend Tallis, die dit jaar een half millennium geleden geboren werd, wordt het eerste deel van dit programma afgesloten.

Vierhonderd jaar scheiden de beide delen van dit programma. Toch is de Engelse muzikale koortraditie ook in de muziek van Benjamin Britten (1913-1976) en Herbert Howells (1892-1983) nog springlevend. Herbert Howells staat in de laatromantische, typisch Engelse traditie van Delius en Elgar, maar grijpt ook nadrukkelijk terug op 16e-eeuwse modellen, zoals in “Howells’ Clavichord”, een hommage aan de klaviermuziek ten tijde van Elisabeth I, met name die van William Byrd. Zijn Requiem ontstond in 1933, en maakt, naast het Introitus uit de katholieke requiemmis, vrij gebruik van andere bijbelgedeelten, en een Engelse versie van het Salvator mundi. Dit werk kreeg een bijzonder tragische lading toen in 1936 Howells’ 9-jarige zoon overleed. Howells was gebroken. Zijn Hymnus Paradisi ontstond in de volgende twee jaren en maakt gebruik van grote delen van het Requiem uit 1933. Pas in 1950 durfde Howells de Hymnus Paradisi voor het eerst aan de openbaarheid prijs te geven. Het duurde zelfs tot 1980 voor hij toestemming gaf voor publicatie en uitvoeringen van het zeer persoonlijke Requiem.

Ook Benjamin Britten grijpt herhaaldelijk terug op de Engelse politieke en muzikale geschiedenis. Zijn opera “Gloriana” (1953) is een studie van Elisabeth I, en werd voor het eerst gebracht in het kroningsjaar van Elisabeth II. Terwijl het Engelse publiek een eerbetoon aan Elisabeth verwachtte, concentreerden Britten en zijn librettist William Plomer zich op de relatie tussen Elisabeth en de hertog van Essex, hetgeen bij de première een lauwe reactie opleverde. Niet voor het eerst (of het laatst) werd een belangrijk werk bij de première niet op waarde geschat. De Choral Dances spelen zich in deze opera af tijdens een bal ter ere van Elisabeth I in Norwich en zijn door Britten zelf in a-capellavorm uit de opera gelicht.

Britten begon de Hymn to St. Cecilia in 1942 in de Verenigde Staten, maar de half voltooide partituur werd in beslag genomen bij zijn vertrek, omdat de Amerikaanse douane vermoedde dat het een gecompliceerd geheimschrift was. Britten reconstrueerde en voltooide de partituur tijdens de zeereis naar Engeland. De tekst van W.H. Auden schildert in het eerste deel St. Cecilia, die volgens de legende de eerste was die een orgel maakte. In het tweede deel is de muziek zelf aan het woord, die slechts kan spelen (“I only play”) en waarvan men slechts hoeft te houden. In het derde deel worden musici (“O dear white children”) aangesproken ten tijde van de verschrikkingen van de tweede wereldoorlog (“playing among the ruined languages”). Ieder deel wordt afgesloten met een smeekbede om de zegen van St. Cecilia, de schutspatrones van de muziek, op wier naamdag (22 november) Britten geboren was.

 Paul van der Werf

Aan deze concerten werkten mee:

 Sopranen
Ingrid Appels
Rosanne de Clercq
Judith Dijs
Nelleke Glansdorp
Pauline van der Meer
Claudia Sternberg

 Alten
Marianne van de Beukel
Annelies Korff de Gidts
Ida Los
Annemarie Rotteveel
Reiny Sterenborg
Sanneke Verhagen

 Tenoren
Marcus Gunnigham
Theo Janson
Gabriël Hoezen
Niek Nieuwenhuijsen
Paul van der Werf
 

 Bassen
Wim Bel
Cor Haaring
Fred Hickendorff
Frits Hali
Andreas Polman
Paul Peter Polak

 Dirigent

Nico van der Meel