Muziek der sferen

 

FlyerTekst


Programma:

Heinrich Schütz
(1585 – 1672)
Die Himmel erzählen die Ehre Gottes (Psalm 19)
Roland de Lassus
(1532 – 1594)
In me transierunt irae tuae 
Josquin Desprez
(ca. 1450 – 1521)
Ut Phoebi radiis 
Vincenzo Galilei
(ca. 1520 – 1591)
Poca fiammella accesa 
Thomas Weelkes
(1576 – 1623)
Thule, the period of cosmography 
Thomas Tallis
(1505 – 1585)
Gaude gloriosa Dei mater 
 
PAUZE 
 
Marc van Delft
-1958
Ruimtezang (Opus 19, 1990)
William Bergsma
(1921 – 1994)
On the beach at night 
Olivier Messiaen
(1908 – 1992)
O sacrum convivium 
Jan Pieterszoon Sweelinck
(1562 – 1621)
Les cieux en chacun lieu (Psalm 19)

 

Vierhonderd jaar geleden construeerde Galileo Galilei, oudste zoon van de luistist en componist Vincenzo Galilei, een telescoop en richtte die als eerste op de hemel. Binnen enkele maanden deed hij een aantal ontdekkingen die het begin vormden van een ware revolutie. Niet alleen bewezen de waarnemingen van Galileo voorgoed dat de aarde samen met de andere planeten rond de zon draait, ook maakten ze de hemel voor het eerst tot voorwerp van wetenschappelijk onderzoek. De kosmologie verschoof van het gebied van de metafysica voorgoed naar dat van de fysica.
Het is voor ons nauwelijks te bevatten hoe ingrijpend deze gebeurtenissen waren. Het wereldbeeld van de 17de eeuwse mens was al meer dan 2000 jaar gebaseerd op de aanwezigheid van universele harmonische principes, zich evenzeer manifesterend in de muziek en in de wiskunde als in de opbouw van het universum. Het heelal bestond uit negen bollen of sferen (1 voor de maan, 1 voor de zon, 5 voor de planeten, 1 voor de sterren, en een buitenste kristallen sfeer, de “primum mobile”, die alles in beweging bracht), met de aarde in het midden. Pythagoras was in de 6de eeuw voor Christus de eerste die aan iedere hemelsfeer een muzikaal interval toekende: de muziek der sferen. In het Christelijke denken werden deze negen sferen negen hemelen, ieder bevolkt door engelen. De kosmische harmonie was een manifestatie van de volmaaktheid van de schepping en de schepper. Muziek diende in de eerste plaats ale een afspiegeling van deze volmaaktheid. Pas in de vroege 16de eeuw kwam onder invloed van het humanisme de mens in de muziek centraal te staan.
De hemel als weerspiegeling van de glorie van de schepper wordt bezongen in Psalm 19, die in dit programma tweemaal aan bod komt, in zettingen van Heinrich Schütz en Jan Pieterszoon Sweelinck. Waar Schütz’ versie vrij gecomponeerd is, maakt Sweelinck gebruik van de melodie uit het Geneefse Psalter. Sweelinck toonzette alle psalmen op deze manier, en creëerde hiermee een van de grootste schatten uit de Nederlandse muziekgeschiedenis.
Vijftig jaar voor Galileo’s ontdekkingen stelde Johannes Kepler zijn drie wetten over de bewegingen van de hemellichamen op. Kepler’s boek Harmonices mundi laat zien hoe diepgeworteld het idee van de muziek der sferen was, want ook hij identificeert de baan van iedere planeet met een muzikaal interval, en maakt daarbij gebruik van voorbeelden uit de muziek van zijn tijdgenoot Roland de Lassus, die hij persoonlijk kende. Zo identificeert hij de aarde met het interval mi-fa (wat volgens Kepler miseria et fames betekent, oftewel ellende en honger), en haalt Lassus’ motet In me transierunt irae tuae aan als illustratie. Dit motet is gecomponeerd in de Phrygische modus, waarin het interval mi-fa een hoofdrol speelt.

In het motet Ut Phoebi radiis vergelijkt Josquin Desprez in de twee vrij gecomponeerde bovenstemmen de glorie van Maria met de luister van de hemellichamen. Maar tegelijk laat hij de twee onderstemmen in canon geleidelijk een stijgend en dalend hexachord (ut-re-mi-fa-sol-la) opbouwen, om zo de hemelse harmonie met een studie in muzikale harmonie uit te beelden.
Kosmische metaforen hebben overigens niet altijd religieuze betekenis. Zo gebruikt Thomas Weelkes in het tweedelige madrigaal Thule, the period of cosmography de verbijsterende gebeurtenissen van de schepping van de kosmos om zijn eigen, nog wonderlijker (want verliefde) toestand te illustreren.
Ook de madrigaalcyclus Poca fiammella accesa van Vincenzo Galilei heeft de liefde als thema. Vincenzo Galilei toont zich op de hoogte van de modernste muzikale ontwikkelingen en gebruikt de muziek nadrukkelijk als expressiemiddel voor de tekst. We weten niet of de jonge Galileo in zijn jonge jaren de cyclus Poca fiammella accesa  ooit heeft gehoord, maar we weten wel dat Vincenzo fysische experimenten (op het gebied van de akoestiek) uitvoerde, zodat de jonge Galileo het experimenteren met de paplepel kreeg ingegoten.
Hoewel de kosmologie in de 17de eeuw definitief haar plaats in de fysica kreeg, is het begrip muziek der sferen nooit verdwenen, en zijn musici nooit opgehouden muziek te gebruiken om het kosmische of het hemelse hoorbaar te maken. Sinds de renaissance hebben weinig componisten dit zo nadrukkelijk en consequent geprobeerd als Olivier Messiaen. Inspiratie voor zijn volstrekt originele harmonische en ritmische taal vormden het vermogen kleuren te zien bij muzikale intervallen (synesthesie), de zang van vogels, oosterse muzikale vormen en systemen, en vooral zijn diepe katholieke geloof. Zijn enige a cappella koorwerk O sacrum convivium past naadloos in dit repertoire, dat zich steeds weer op de mystieke kanten van het geloof concentreert.
De Amerikaanse componist William Bergsma, treft in On the beach at night (op tekst van Walt Whitman) een veel lyrischer toon. Bergsma was wars van avant garde en hield zijn hele leven een tonaal idioom aan.
Marc van Delft bereikt in Ruimtezang (op een tekst van Adriaan Roland Holst) juist een veel etherischer klankbeeld, dat nadrukkelijk gebruik maakt van de akoestiek van een grote ruimte, en de luisteraar zo op een bijzondere manier bewust maakt van de ruimte en haar klank.
Het laatste werk van dit programma is 450 jaar eerder geschreven maar sluit hier wonderlijk genoeg perfect bij aan. Thomas Tallis’ Gaude gloriosa Dei mater voert ons met Maria omhoog door de negen hemelsferen, waar negen engelenkoren in negen strofen, steeds beginnende met Gaude, en ieder in eigen bezetting, de tenhemelopneming van Maria bezingen. Tutti-strofen worden afgewisseld met kleiner bezette gedeelten, vaak met gebruikmaking van gymels (tijdelijke splitsing van stemmen, terwijl andere stemmen juist zwijgen) wat tot ongewone stemcombinaties en bijzondere klankkleuren leidt. Met dit kolossale bouwwerk zijn we terug bij de muziek als afspiegeling van de perfectie en de schoonheid van de hemelen.

Paul van der Werf