Programma
“Seele, vergiß sie nicht”

 


Fünf Gesänge, op. 104  (1888)          

Johannes Brahms  (1833-1897)

ú  Nachtwache I  (Rückert)

ú  Nachtwache II  (Rückert)

ú  Letztes Glück  (Kalbeck)

ú  Verlorene Jugend  (Wenzig)

ú  Im Herbst  (Groth)

 

Trauergesang, op. 116  (1845)          

Felix Mendelssohn Bartholdy  (1809-1847)

 

 

Requiem “Seele, vergiß sie nicht” (Hebbel) (1863)   

Peter Cornelius  (1824-1874)

 

 

Vier doppelchörige Gesänge, op. 141  (1849)   

Robert Schumann  (1810-1856)

ú  An die Sterne  (Rückert)

ú  Ungewisses Licht  (Zedlitz)

ú  Zuversicht  (Zedlitz)

ú  Talismane  (Goethe)

 

pauze

 

Requiem  (1868)                

Daniël de Lange  (1841-1918)

ú  Requiem

ú  Dies Irae

ú  Offertorium

ú  Sanctus – Benedictus

ú  Agnus Dei

 

 

Recensie

zaterdag 13 april 2002, Oud-Katholieke kerk, Amsterdam
zondag 14 april 2002, Lutherse kerk, Leiden

vrijdag 19 april 2002, Oude kerk, Rotterdam (Delfshaven)
zaterdag 20 april 2002, Doopsgezinde kerk, Haarlem.


Johannes Brahms  (1833-1897)

Fünf Gesänge, op. 104  (1888)

In de zomer van 1886 huurde Brahms een huis in de Zwitserse bergen bij Thun. Dit verblijf deed hem erg goed en zette hem aan tot ijverig componeren. Zoals gebruikelijk kwamen verschillende vrienden hem opzoeken, onder hen de zangeres Hermine Spies en dichter Klaus Groth. Geen wonder dat gedurende deze periode ook vocale muziek ontstond. Brahms begon er met zijn Fünf Gesänge op.104 voor zesstemmig koor. Klaus Groth leverde de tekst voor wat het vijfde Gesang zou worden, ‘Im Herbst’, het enige vierstemmige werk van de reeks.  Geïnspireerd keerde de componist de twee volgende jaren terug naar dezelfde plaats. Ook toen weer kon hij verzekerd zijn van het gezelschap van goede bekenden als de schrijver Kalbeck (auteur van ‘Letztes Glück’, het derde Gesang), met wie hij lange wandelingen maakte. Vermoedelijk voltooide Brahms de Gesänge in de zomer van 1888 in Thun door er nog twee toonzettingen van Rückert aan toe te voegen, Nachtwache I en II.

In tegenstelling tot wat deze plezierige omstandigheden tijdens van het componeren doen vermoeden, is de toon van de Fünf Gesänge ernstig, melancholisch. Dit is verklaarbaar uit de achtergrond van die periode, waarin Brahms – zelf inmiddels in de vijftig – een aantal collega’s en leeftijdsgenoten zag wegvallen. In de eerste helft van 1886 overleden zowel Franz Liszt als Brahms’ twee jaar jongere broer Fritz. Met geen van beiden had hij een hechte band, maar toch schokte hun heengaan de componist diep. Ook de wankele situatie van het Duitse Keizerrijk was voor een vurig patriot als Brahms een bron van zorgen. Het in die tijd zo geliefde thema van de vergankelijkheid begon voor hem nog meer te leven.
Hoewel ze de reeks openen, zijn de beide nachtwakes zoals gezegd later ontstaan dan de andere Gesänge. Als voorbodes van het eeuwige leven ademen ze een sfeer van berusting, waarschijnlijk tekenend voor de gemoedstoestand van Brahms, bij wie de onrust inmiddels was geluwd. De zes stemmen werken meer nog dan in de overige Gesänge als echo’s. In ‘Nachtwache I’ gebeurt dit in een voortdurende wisselwerking tussen de vrouwen- en de mannenstemmen, tot de laatste adem ze tenslotte bij elkaar brengt. ‘Nachtwache II’ opent met twee elkaar tegemoet klinkende hoorns. Ze kondigen de naderende rust en vrede aan, die uiteindelijk neerdaalt – in de muziek te horen in een lange dalende lijn naar het slot toe. Zowel ‘Letztes Glück’ als ‘Im Herbst’ verhalen over de herfst van het leven, waarin met de vallende bladeren ook het geluk wegzinkt, door Brahms verklankt in dalende lijnen in vrijwel alle stemmen.  Terwijl een melancholieke mineurtoon bepalend is voor beide Gesänge, is er zo nu en dan een opleving in majeur, waar letterlijk de zon even doorbreekt – in ‘Im Herbst’ terwijl hij al ondergaat… Het vijfstemmige ‘Verlorene Jugend’ vormt een lyrische overgang tussen beide. Een levendige natuurschildering in de alten, direct geëchood door de andere stemmen, gaat de vraag vooraf waar alle jeugdige energie is gebleven. De tenoren antwoorden tenslotte, gevolgd door de overige stemmen: verdwenen als een steen die in het water werd geslingerd.


Nachtwache I  (Friedrich Rückert)

Leise Töne der Brust,

geweckt von Odem der Liebe,

hauchet zitternd hinaus,

ob sich euch öffn’ ein Ohr,

öffn’ ein liebendes Herz,

und wenn sich keines euch öffnet,

trag ein Nachtwind euch

seufzend in meines zurück.

Zachte tonen van het hart,

gewekt door de adem der liefde,

wordt fluisterend hoorbaar,

opdat een oor zich voor jullie opene,

een liefhebbend hart zich opene,

en wanneer geen enkel hart zich voor jullie opent,

moge een avondbries jullie dan

als een zucht naar mijn hart terugleiden.

 

 

Nachtwache II  (Friedrich Rückert)

Ruhn sie? rufet das Horn

des Wächters drüben aus Westen,

und aus Osten das Horn

rufet entgegen: Sie ruhn!

Rusten zij? roept de hoorn

van de wachter ginds uit het westen,

en uit het oosten roept de hoorn

terug: zij rusten!

Hörst du, zagendes Herz,

die Flüsterden Stimmen der Engel?

Lösche die Lampe getrost,

hülle in Frieden dich ein.

Hoor je, twijfelend, angstig hart,

de fluisterende stemmen der engelen?

Doof de lamp gerust,

laat vrede je omhullen.

 

 

Letztes Glück  (Kalbeck)

Leblos gleitet Blatt um Blatt,

still und traurig von den Bäumen;

seines Hoffens nimmersatt,

lebt das Herz in Frühlingsträumen.

 

Levenloos dwarrelt blad na blad

stil en treurig van de bomen;

onverzadigbaar van hoop,

leeft het hart in voorjaarsdromen.

Noch verweilt ein Sonnenblick

bei den späten Hagerosen,

wie bei einem letzten Glück

einem süßen, hoffnungslosen.

Nu nog rust een zonnestraal

op de late haagroos,

als bij een laatste geluk,

zoet en hopeloos.

 

 

Verlorene Jugend  (Wenzig)

Brausten alle Berge, sauste rings der Wald

meine jungen Tage, wo sind sie so bald?

Jugend, teure Jugend, flohest mir dahin;

o du holde Jugend, achtlos war mein Sinn!

 

Bruisten alle bergen, suisde rondom het bos

mijn jonge dagen, waar zijn ze zo gauw?

Jeugd, dierbare jeugd, jij ontvluchtte mij;

o jij lieftallige jeugd, geheel onachtzaam was ik.

Ich verlor dich leider, wie wenn einen Stein

jemand von sich schleudert in die Flut hinein.

Wendet sich der Stein auch um in tiefer Flut,

weiß ich, daß die Jugend doch kein Gleiches tut.

Ik verloor jou helaas, zoals iemand een steen van zich afwerpt in de golven.

Keert de steen zich nog om, diep in ’t water,

ik weet dat de jeugd niet hetzelfde doet.

 

 

Im Herbst  (Groth)

Ernst ist der Herbst, und wenn die Blätter fallen,

sinkt auch das Herz zu trübem Weh herab.

Still ist die Flur, und nach dem Süden wallen

die Sänger stumm, wie nach dem Grab.

 

Ernstig is de herfst en als de bladeren vallen, daalt ook het hart in droeve smart.

Stil is de weide, en zwijgend trekken de zangvogels zuidwaarts, als naar het graf.

Bleich ist der Tag, und blasse Nebel schleiern

die Sonne wie die Herzen ein.

Früh kommt die Nacht: denn alle Kräfte feiern,

und tief verschlossen ruht das Sein.

 

Bleek is de dag en vale nevels versluieren zowel de zon als het hart.

Vroeg komt de nacht: want alle krachten luieren, en in zichzelf gekeerd rust het bestaan.

Sanft wird der Mensch. Er sieht die Sonne sinken,

er ahnt des Lebens wie des Jahres Schluß.

Feucht wird das Aug, doch in der Träne Blinken

entströmt des Herzens seligster Erguß.

Zachtmoedig wordt de mens. Hij ziet de zon snel tanen, hij vermoed het levenseinde zoals het jaar eindigt.

De ogen worden nat, maar in de glans der tranen ontstroomt een gelukzalige ontboezeming van het hart.

 

 

 

Felix Mendelssohn Bartholdy  (1809-1847)

Trauergesang, op. 116  (1845)       

De ster van Felix Mendelssohn Bartholdy was al in zijn tienerjaren hoog gestegen. Als homo universalis – naast componist en musicus was hij ook een begaafd tekenaar, sprak vier talen en was zeer belezen – en kind uit een welgestelde familie leek het hem allemaal ‘aan te waaien’. Zijn edele gelaatstrekken en gelijkmatige karakter waren spreekwoordelijk. De evenwichtigheid van zijn composities, met sterke affiniteit voor muziek uit de voorafgaande eeuw – met name die van Bach – kreeg vanuit vrijwel alle hoeken bijval. Schumann schreef eens over hem: ‘hij is de Mozart van de 19e eeuw. De helderste musicus, die de tegenstrijdigheden van zijn tijd het beste heeft doorzien en als eerste met elkaar verzoende.’ Helaas tobde Mendelssohn met toenemende gezondheidsklachten (die hem in 1847, hij was toen nog geen 40, fataal zouden worden). Hierdoor voelde hij steeds minder voor openbare optredens en wijdde hij zich met meer overgave aan het componeren. Zijn financieel onafhankelijke positie stelde hem hiertoe ook in staat en zo sloeg hij in 1845 het vleiende aanbod om naar New York te gaan af. Liever bracht hij zijn tijd door met het vinden van een geschikt onderwerp voor een te schrijven opera, een uiteindelijk nooit verwezenlijkte droom.

Uit deze periode stamt het Trauergesang, een vierstemmig werk dat Mendelssohn componeerde voor een begrafenis in juli 1845. Het weerspiegelt zijn klare muzikale taal, warm, maar niet sentimenteel. De melodielijn in de sopraan, harmonisch gedragen door de andere stemmen, drukt droefheid uit, maar ondersteunt ook de tekst met zijn voor romantici zo kenmerkende verlangen naar bevrijding door de dood.

  

 

  

Trauergesang, op. 116

Sahst du ihn hernieder schweben

in der Morgenröthe Lichtgewand?

 

Palmen strahlten in des Engels Hand;

sein Berühren trennt des Geistes Leben von der Erdenhülle schwerem Band.

Zag je hem niet omlaag zweven,

in een gewaad van licht, gelijk het morgenrood?

Palmen straalden in de hand van de engel;

zijn aanraking verlost het leven van de geest van de zware band met het aards omhulsel.

Wem, o Engel, rufet dein Erscheinen?

Sag, wem gilt dein Flug so ernst und hehr?

 

Was erblick' ich! Aller Augen weinen,

ach, ihr Liebling ist nicht mehr!

 

Wie, o engel, roep je met je verschijnen?

Zeg, voor wie geldt jouw vlucht, zo ernstig en verheven?

Wat zie ik! De ogen van allen huilen,

ach, haar liefste is niet meer!

Lächelnd schlief er ein,

des Himmels Frieden strahlt vom vielgeliebten Angesicht,

und die Mien’, in der sein Geist hienieden sich verklärt, verließ ihn sterbend nicht.

Lächelnd schlief er ein.

Glimlachend ging hij heen,

de vrede van de hemel straalt van zijn alom geliefde aanblik,

en de gelaatsuitdrukking, met welk zijn geest hier beneden van geluk begon te stralen, verliet hem niet toen hij stierf.

Glimlachend ging hij heen.

 

 


Peter Cornelius  (1824-1874)

Requiem “Seele, vergiß sie nicht” (1863)

Peter Cornelius heeft zijn uniciteit bewezen in meerdere opzichten. De in Mainz geboren componist was zoon van twee acteurs en had ook hun toneeltalent. Daarnaast bleek hij literair bijzonder getalenteerd, en hij ontplooide zich als verfijnd, lyrisch tekstdichter en toondichter. Maar wat hem bovenal bijzonder maakt is, dat hij zich begaf in kringen rondom invloedrijke kunstenaars zonder dat hij zich artistiek gezien tot hun discipel liet kneden. Zo heeft hij jaren lang nauw met de initiators van de ‘Nieuwe Duitse School’, Liszt en Wagner, samengewerkt. Compositorisch bleef hij echter zichzelf trouw, door de grote meesters geïnspireerd, maar niet meegesleept. Wel zette hij zijn literaire gave in om de nieuwe Duitse muziekstroming, waarin hij zich zo thuis voelde, met passie te verdedigen. De ideeën die in deze stroming leefden hadden vooral betrekking op de zeggingskracht van muziek. Ontdaan van haar strakke klassieke vormen diende de muziek buitenmuzikale onderwerpen uit te beelden en in dienst te staan van de dramatische expressie (Wagner). Hiermee stelden de aanhangers van deze ‘school’ zich lijnrecht tegenover conservatievere componisten als Brahms, voor wie Cornelius overigens wel respect had. Cornelius vond zijn eigen weg in het idioom, waarin de tonale grenzen steeds verder vervaagden en waarin tekstexpressie een van de belangrijkste doelen was.

Hij componeerde in 1863 het Requiem ‘Seele, vergiß sie nicht’ op tekst van Friedrich Hebbel, nadat het bericht van het overlijden van deze dichter hem had bereikt. Hiermee gaf hij uitdrukking aan zijn ontzag voor Hebbel en diens Nibelungen Trilogie. Het Requiem is een indringend werk, vol expressieve chromatiek en dramatische wendingen. Elke keer dat de woorden ‘Seele, vergiß sie nicht, Seele, vergiß nicht die Toten’ herhaald worden krijgen ze een nieuwe lading in de compacte harmonie en dynamiek.

 

Requiem “Seele, vergiß sie nicht” (Hebbel)

Seele, vergiß sie nicht,

Seele, vergiß nicht die Toten!

 

Ziel, vergeet ze niet,

ziel, vergeet niet de gestorvenen!

Sieh' sie umschweben dich,

schauernd verlassen,

und in den heiligen Gluten,

die den Armen die Liebe schürt,

atmen sie auf und erwarmen

und genießen zum letzten Mal ihr verglimmendes Leben.

 

Kijk, ze zweven om je heen,

huiverend verlaten,

en in de heilige gloed,

die bij de armen de liefde aanwakkert,

ademen ze op en worden ze warm

en genieten voor de laatste keer

van hun langzaam uitdovend leven.

Und wenn du dich ihnen verschließest,

so erstarren sie bis hinein in das Tiefste.

Dann ergreift sie der Sturm der Nacht,

dem sie zusammengekrampft

in sich trotzten im Schoß der Liebe.

Und er jagt sie mit Ungestüm

durch die endlose Wüste hin,

wo nicht Leben mehr ist,

nur Kampf losgelassener Kräfte Neuerneuertes Sein.

En als je je voor hen afsluit,

dan verstijven ze zich tot in hun binnenste.

Dan grijpt hen de storm van de nacht,

die ze ineengekrompen

in zich trotseerden in de schoot van de liefde.

En hij jaagt hen op met onstuimigheid

dwars door de eindeloze woestijn,

waar geen leven meer is,

slechts de strijd van vrijgelaten krachten, een opnieuw vernieuwd bestaan.

 

 

 

Robert Schumann  (1810-1856)

Vier doppelchörige Gesänge, op. 141  (1849)

 

1849 was een roerig jaar voor Robert Schumann en diens vrouw, de alom geroemde pianiste Clara Schumann-Wieck. In mei werden Robert, de zeven maanden zwangere Clara en kinderen gedwongen te vluchten uit hun huis in Dresden, nadat de stad toneel was geworden van een revolutionair oproer. Hoewel de revolutie de kop in werd gedrukt, leek het hun toch veiliger enige maanden op het platteland te blijven. Die zomer werd Robert getroffen door een depressieve aanval, een uiting van zijn steeds duidelijker wordende geestesziekte. Intussen bleef hij zijn best doen om voor zijn gezin weer een geregelde bron van inkomsten te krijgen: gedurende de vijf jaar die de familie al in Dresden woonde, leefde het echtpaar van de onregelmatige opbrengsten uit Roberts composities en de concerten die ze beiden gaven. Zijn pogingen om een vaste betrekking te krijgen bleken ook dat jaar vergeefs. Toch belette alle onrust hem niet een grote hoeveelheid werk te verzetten. Hij produceerde zelfs meer dan ooit, meer dan dertig composities binnen één jaar. In vijf dagen tijd, van 11 tot 16 oktober 1849, componeerde hij 3 liederen voor dubbel koor. Ze werden postuum gepubliceerd als op.141 samen met een toonzetting van Goethes ‘Talismane’ voor een zelfde bezetting.

Anders dan de Fünf Gesänge van Brahms – een dierbare vriend van de Schumanns – zijn deze vier werken verre van melancholiek. Ze getuigen wel van een, typisch romantische, onrust, met name ‘Ungewisses Licht’ dat wat sfeer betreft enige gelijkenis vertoont met Schuberts ‘Erlkönig’. Na een schildering van de mens te midden van het meest onstuimige natuurgeweld lijkt er helderheid te komen, maar is het licht dat er schittert de liefde of de dood…? ‘An die Sterne’ en ‘Zuversicht’ hebben beide een gepijnigd hart als onderwerp. In een bedachtzame dialoog tussen de twee koren, die elkaar vaak bijna letterlijk echoën, overweegt uiteindelijk het vertrouwen in de verlossing en de liefde (‘Zuversicht’).

Het afsluitende ‘Talismane’ is een uitbundige lofzang op God. De juichende toon en Goethes tekst, die een volledige overgave aan de Hogere macht roemt, vormen een wat merkwaardig contrast met de voorgaande werken. Maar het verstilde ‘amen’ aan het slot voert de luisteraar weer terug naar de meer verinnerlijkte sfeer van de andere drie Gesänge.

  

 


An die Sterne  (Friedrich Rückert, 1788-1866)

Sterne in des Himmels Ferne,

die mit Strahlen bessrer Welt

ihr die Erdendämmrung hellt;

schau'n nicht Geisteraugen

von euch erdenwärts,

daß sie Frieden hauchen

ins umwölkte Herz?

 

Sterren aan de verre hemel,

die met stralen van een betere wereld

de schemering van de aarde verlichten;

kijken niet de ogen van geesten

van jullie vandaan naar de aarde

zodat zij rust brengen

in het bezwaarde hart?

Sterne in des Himmels Ferne,

träumt sich auch in jenem Raum

eines Lebens flücht'ger Traum?

Hebt Entzücken, Wonne,

Trauer, Wehmut, Schmerz,

jenseit unsrer Sonne

auch ein fühlend Herz?

 

Sterren aan de verre hemel,

droom je in die ruimte ook

de vluchtige droom van een leven?

Wordt aan gene zijde van onze zon

een gevoelig hart ook gegrepen

door verrukking, gelukzaligheid,

droefenis, weemoed, pijn?

Sterne in des Himmels Ferne,

winkt ihr nicht schon Himmelsruh'

mir aus euren Fernen zu?

Wird nicht einst dem Müden

auf den goldnen Au'n

ungetrübter Frieden

in die Seele tau'n?

 

Sterren aan de verre hemel,

wenken jullie mij niet reeds nu

uit jullie verten hemels rust toe?

Zal niet eens

een onbezorgde vrede

de ziel van de vermoeide mens vervullen

op de gouden velden?

Sterne [in des Himmels Ferne],

bis mein Geist den Fittich hebt

und zu eurem Frieden schwebt,

hang an euch mein Sehnen,

hoffend, glaubevoll!

O ihr Holden, Schönen,

könnt ihr täuschen wohl?

Sterren [aan de verre hemel],

tot mijn geest zijn vleugels uitslaat

en naar jullie vrede zweeft,

mijn verlangen, zoek houvast bij jullie,

hopend, gelovig!

O jullie lieflijken, schonen,

kunnen jullie misschien misleiden?

 

 

 

Ungewisses Licht  (Joseph Christian von Zedlitz, 1790-1862)

Bahnlos und pfadlos, Felsen hinan

stürmet der Mensch, ein Wandersmann.

Stürzende Bäche, wogender Fluß,

brausender Wald, nichts hemmet den Fuß!

 

Zonder baan, zonder pad – de bergen op

stormt de mens, rust’loos op naar de top.

Watervallen, een golvende vloed,

bruisend woud – niets belemmert zijn voet!

Dunkel im Kampfe über ihn hin,

jagend im Heere die Wolken zieh'n;

rollender Donner, strömender Guß,

sternlose Nacht, nichts hemmet den Fuß!

 

Boven hem, strijdend in duistere nacht,

trekken de wolken in wilde jacht;

dreunende donder, een regenvloed,

nacht zonder ster –  niets belemmert zijn voet!

Endlich, ha! endlich schimmert’s von fern!

Ist es ein Irrlicht, ist es ein Stern?

Ha! wie der Schimmer so freundlich blinkt,

wie er mich lokket, wie er mir winkt!

 

Eind’lijk, ha! eindelijk glanst iets van ver!

Is het een dwaallicht, is het een ster?

Ha! hoe vriend’lijk die glans nu toch blinkt,

hoe lokt die mij, hoe lacht die mij toe!

Rascher durcheilet der Wandrer die Nacht,

hinnach dem Lichte zieht’s ihn mit Macht!

Sprecht, wie: sind’s Flammen,

ist’s Morgenrot,

ist es die Liebe, ist es der Tod?

Sneller gaat nu de mens door de nacht,

naar het licht getrokken uit alle macht!

Spreek toch: zijn ’t vlammen,

is ’t morgenrood,

is het de liefde, is het de dood?

 

 

Zuversicht  (Joseph Christian von Zedlitz, 1790-1862)

Nach oben mußt du blicken,

gedrücktes, wundes Herz,

dann wandelt in Entzücken

sich bald dein tiefster Schmerz.

 

Naar boven richt uw blikken,

bedrukt, gepijnigd hart,

dan heft zich tot verrukking

al gauw uw diepste smart.

Froh darfst du Hoffnung fassen,

wie hoch die Flut auch treibt.

Wie wärst du denn verlassen,

wenn dir die Liebe bleibt?

Leer nieuwe hoop te vatten,

hoe hoog de vloed ook rijst.

Hoe zoudt ge zijn verlaten,

als u de liefde blijft?

 

 

 

Talismane  (Johann Wolfgang von Goethe, 1749-1832)

Gottes ist der Orient!

Gottes ist der Okzident!

Nord- und südliches Gelände

ruht im Frieden seiner Hände.

 

Godes is de Oriënt!

Godes is de Occident!

Noord- en zuidelijke landen

rusten vredig in zijn handen.

Er, der einzige Gerechte,

will für jedermann das Rechte.

Sei von seinen hundert Namen

dieser hochgelobet! Amen.

 

Hij, de enige gerechte,

wil voor iedereen het rechte.

Zij van al zijn honderd namen

deze hooggeprezen! Amen.

Mich verwirren will das Irren;

doch du weißt mich zu entwirren.

Wenn ich handle, wenn ich dichte,

gib du meinem Weg die Richte.

Vol verwarring moet ik dwalen;

maar Gij weet mij terug te halen.

Als ik handel, als ik dicht,

geeft u richting aan mijn weg.

 

 


Daniël de Lange  (1841-1918)

Requiem  (1868)

 

Aan violist Willem Noske (1918-1995) heeft de Nederlandse muziekwereld veel te danken. De voorvechter van het vaderlandse muzikaal erfgoed verdiepte zich met ongebreideld enthousiasme in manuscripten en onbekende bladmuziek van Nederlandse toondichters. Samen met bevriende musici begaf hij zich dag na dag naar de archieven van het Haags Gemeentemuseum om er weer nieuwe ontdekkingen te doen. Zo kwam door toedoen van Noske en René Rakier ook het Requiem van Daniël de Lange in 1972 onder het stof vandaan. Het stuk werd in 1993 met veel succes door het Nederlands Kamerkoor in première gebracht (!) en op cd opgenomen.

Daniël de Lange (1841-1918), telg uit een bekende Rotterdamse muzikantenfamilie, was in zijn tijd zeer gerespecteerd. Hij legde een grote veelzijdigheid aan de dag: hij bespeelde verschillende instrumenten, waaronder cello en orgel, en was dirigent, componist en muziekwetenschapper. Daarnaast kon hij zich erop beroemen dat hij de eerste officiële muziekcriticus van Nederland was, voor de Amsterdamse krant Het Nieuws van den Dag. Hij stichtte met enkele collega’s het Amsterdamsch Conservatorium, waarvan hij later ook directeur werd. Als dirigent van het door hem opgerichte Amsterdamsch A-cappellakoor kreeg hij zelfs wereldfaam. Het vocaal ensemble legde zich vooral toe op het polyfone repertoire uit de Nederlanden in de Renaissance, een periode in de muziekgeschiedenis waarvoor tot dan toe nauwelijks belangstelling was geweest.

Het behoeft geen betoog dat juist de Nederlandse polyfonie ook invloed had op de muziek die De Lange zelf componeerde. Hij ontwikkelde een stijl waarin hij laatromantische harmonieën combineerde met meerstemmigheid uit de zestiende en zeventiende eeuw. In zijn Requiem gebruikte hij ook de dubbelkorigheid die hij ontleende aan Venetiaanse componisten als Gabrieli. Deze bijzondere combinaties verlenen het Requiem een karakteristieke eigenzinnigheid. De luisteraar waant zich nu eens in een grootste gotische kathedraal, dan weer in de intimiteit van een negentiende-eeuwse salon.

Het Requiem is monumentaal van opzet met twee vierstemmige koren en twee vierstemmige solistenensembles. De sobere openingsakkoorden van Requiem en de lieflijk uitgesponnen melodielijnen van het Kyrie verraden nog weinig van de dramatiek die het sterk chromatische Dies Irae later laat horen: hierin bouwen afwisselend fugatische en homofone passages van de twee koren een spanning op die zich ontlaadt, om in ingetogener passages van de solistenensembles in rustiger vaarwater te komen. Maar pas met de eerste akkoorden in de triomfantelijke puls van het Offertorium is er weer plaats voor ontspanning in de harmonie. Met de grote drieklank als belangrijk element in Sanctus en de cantabile canon van sopraan- en bassoli in Benedictus blijkt dat De Lange de spanningsboog niet meer zo aantrekt als in Dies Irae. De lyriek van Agnus Dei voert tenslotte terug naar de openingsakkoorden van Requiem, maar nu ‘ingevuld’ door de soli.

 

 

Requiem

Requiem aeternam dona eis, Domine!

Et lux perpetua luceat eis.

Geef hun, Heer, de eeuwige rust!

En doe een voortdurend licht over hen schijnen.

Te decet hymnus Deus in Sion,

et tibi reddetur votum in Jerusalem.

U komt een lofzang toe, Heer in Sion,

en voor U wordt de gelofte in Jeruzalem vervuld.

Exaudi orationem meam.

Ad te omnis caro veniet.

Verhoor mijn gebed.

Tot U komt al wat leeft.

Kyrie eleison,

Christe eleison,

Kyrie eleison.

Heer ontferm U,

Christus ontferm U,

Heer ontferm U.

 

 

Dies Irae

Dies irae, dies illa,

solvet saeclum in favilla,

teste David cum Sybilla.

Dag van toorn, beruchte dag,

die de wereld tot as verteert,

naar de getuigenis van David en de Sibille.

Quantus tremor est futurus,

quando judex est venturus,

cuncta stricte discussurus.

Welk een schrik zal dan ontstaan,

wanneer de rechter zal komen

om alles streng te oordelen.

Tuba mirum spargens sonum

per sepulchra regionum,

coget omnes ante thronum.

De bazuin die een wonderbaarlijk signaal geeft

over de graven van de wereld,

zal allen dagen voor de troon.

Mors stupebit et natura,

cum resurget creatura,

judicanti responsura.

Dood en natuur zullen verbijsterd staan,

wanneer elk schepsel zal herrijzen

om rekenschap af te leggen aan de rechter.

Liber scriptus proferetur,

in quo totum continetur

unde mundus judicetur.

Het geschreven boek zal tevoorschijn komen,

waarin alles vervat is

waarnaar de wereld geoordeeld zal worden.

Judex ergo cum sedebit,

quidquid latet, apparebit.

Nil inultum remanebit.

Wanneer de rechter dan gezeten is,

zal alles wat verborgen is aan het licht komen.

Niets zal ongewroken blijven.

Quid sum miser, tunc dicturus?

Quem patronum rogaturus?

Cum vix justus sit securus.

Wat zal ik, ellendige, dan zeggen?

Wie als voorspraak vragen?

Als zelfs een rechtvaardige nauwelijks veilig is.

Rex tremendae majestatis,

qui salvandos salvas gratis,

salva me, fons pietatis.

Koning vol angstaanjagende majesteit,

die zaligen redt uit genade,

red ook mij, bron van barmhartigheid.

Recordare, Jesu pie,

quod cum causa tuae viae.

Ne me perdas illa die.

Gedenk toch, barmhartige Jezus,

dat ik de reden van Uw lijdensweg ben.

Laat mij niet omkomen op die dag.

Quarens me, sedisti lassus,

redemisti crucem passus.

Tantus labor non sit cassus.

Zoekend naar mij zit Gij vermoeid terneer,

Gij hebt mij verlost door aan het kruis te lijden.

Laat zulk een moeite niet vergeefs zijn.

Juste judex ultionis,

donum fac remissionis,

ante diem rationis.

Rechtvaardige rechter der wrake,

geef mij het geschenk der vrijspraak

vóór de dag van vergelding.

Ingemisco, tanquam reus,

culpa rubet vultus meus,

supplicanti parce, Deus!

Ik zucht als een beklaagde,

schaamrood kleurt mijn gelaat.

Spaar toch een smekeling, o God!

Qui Mariam absolvisti,

et latronem exaudisti,

mihi quoque spem dedisti.

Gij die Maria hebt vrijgesproken

en de rover hebt verhoord,

Gij hebt ook mij hoop gegeven.

Preces meae non sunt dignae,

sed tu bonus, fac benigne,

ne perenni cremer igne.

Mijn smeekbeden zijn het niet waard,

maar, goede Heer, draag er welwillend zorg voor

dat ik niet zal verteren in het eeuwige vuur.

Inter oves locum praesta,

et ab hoedis me sequestra,

statuens in parte dextra.

Geef mij een plaats tussen de schapen

en wil mij van de bokken verwijderd houden,

doe mij staan aan uw rechterhand.

Confutatis maledictis,

flammis acribus addictis,

voca me cum benedictis!

Als de gedoemden veroordeeld zijn,

ten prooi aan felle vlammen,

roep mij dan bij de gezegenden.

Oro supplex et acclinis,

cor contritum quasi cinis,

gere curam mei finis!

Ik bid U als smekeling, terneergebogen,

het hart verteerd als as,

draag zorg voor mijn einde.

Lacrimosa dies illa,

qua resurget ex favilla

judicandus homo reus.

Huic ergo parce Deus.

Tranenrijk is die dag,

waarop de schuldige mens uit het stof zal herrijzen om geoordeeld te worden.

Spaar hem dan, God.

Pie Jesu Domine, dona eis requiem aeternam

Barmhartige Heer Jezus, geef hun de eeuwige

rust.

 


Offertorium

Domine Jesu Christe, rex gloriae!

Libera animas omnium fidelium defunctorum

de poenis inferni et de profundo lacu.

Libera eas de ore leonis,

ne absorbeat eas tartarus,

ne cadant in obscurum.

Sed signifer sanctus Michael

repraesentet eas in lucem sanctam,

quam olim Abrahae promisisti et semini eius.

Heer Jezus Christus, koning van de heerlijkheid!

Verlos de zielen van alle overleden gelovigen

 

van de pijnen van de hel en van de diepe poel.

Bevrijd hen uit de muil van de leeuw

opdat het dodenrijk hen niet verslinde,

noch dat zij vallen in de duisternis.

Maar laat de banierdrager, de heilige Michael,

hen leiden naar het heilige licht

dat Gij eertijds aan Abraham hebt beloofd en aan zijn nageslacht.

Hostias et preces tibi, Domine, laudis offerimus.

Tu suscipe pro animabus illis,

quarum hodie memoriam facimus.

Fac eas, Domine, de morte transire ad vitam,

quam olim Abrahae promisisti et semini eius.

Offergaven en lofgebeden bieden wij U, Heer, aan.

Aanvaard ze voor die zielen

die wij heden gedenken.

Doe hen, Heer, van de dood overgaan naar het leven,

dat Gij eertijds aan Abraham hebt beloofd en aan zijn nageslacht.

 

 

Sanctus – Benedictus

Sanctus, sanctus, sanctus,

Dominus Deus Sabaoth.

Pleni sunt coeli et terra gloria tua.

Hosanna in excelsis!

Heilig, heilig, heilig

is de Heer, de God der Heerscharen.

Vol zijn hemel en aarde van Uw heerlijkheid.

Hosanna in den hoge!

Benedictus, qui venit in nomine Domini.

Hosanna in excelsis!

Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer.

Hosanna in den hoge!

 

 

Agnus Dei

Agnus Dei, qui tollis peccata mundi,

dona eis requiem sempiternam.

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,

geef hun de eeuwige rust.

 

 

 

 

 

Solisten

 


Leonore Engelbrecht, sopraan

Pauline van der Meer, sopraan*

Annette Vermeulen, mezzo-sopraan

Marianne van den Beukel, alt*

Jeroen Spitteler, tenor (14 april)

Niek Nieuwenhuijsen, tenor*

Rob van Dam, tenor*

Jan Willem van den Dool, bariton

Frits Hali, bas*

 

*: Pauline, Marianne, Niek en Frits maken deel uit van het William Byrd Vocaal Ensemble.

 


Leonore Engelbrecht studeerde zang aan het Rotterdams conservatorium, eerst bij Sylvia Schlüter en Hieke Meppelink en is in mei 2001 bij Maarten Koningsberger afgestudeerd.

Leonore is verbonden aan de Laurens Cantorij, waar ze ook regelmatig als solist te horen is. Met diverse andere koren en ensembles verzorgde zij radio-opnames en concerten.

 

Annette Vermeulen volgde een zangstudie aan het Rotterdams Conservatorium waar zij, na bij Sylvia Schlüter en Maria Acda gestudeerd te hebben, in het jaar 2000 afstudeerde bij haar docente Carolyn Watkinson, bij wie zij ook nu nog af en toe lessen volgt.

Annette treedt regelmatig op als soliste in o.a. oratoria en eigentijdse producties.

 

Jan Willem van den Dool werd geboren op 4-12-1967 in 's Hertogenbosch. Volgde zanglessen bij Marianne Dieleman en Sheila Barnes. Heeft in de loop der tijd aan diverse projecten deelgenomen als koorlid en als solist. Zingt thans bij de Laurenscantorij in Rotterdam onder leiding van Barend Schuurman.


 


 

 

Met dank aan:

q      Maria Kuster (repetitor)

q      Jeanine Landheer (programmatoelichting)

q      Fonds 1818 (voorheen VSB-fonds)

q      Gemeente Leiden 

 

Samenstelling programmaboek: Andreas Polman
Aan deze concerten werken mee:

 

 Sopranen

Ingrid Appels

Jeannette van Dalen

Jeanine Landheer

Bernadette van Leeuwen

Pauline van der Meer

Annemieke Rademaker

Henriëtte van Rijn

Claudia Sternberg

 

 Alten

Marianne van den Beukel

Annelies Korff de Gidts

Ida Los

Lisbeth Østergaard

Maartje Sevenster

Marijke Tulp

Hanna Thuránszky

Sanneke Verhagen

 

 Tenoren

Rob van Dam

Cyriel Gieles

Theo Janson

Gabriël Hoezen

Niek Nieuwenhuijsen

Paul van der Werf

 

 Bassen

Wim Bel

Hans Claus

Cor Haaring

Loek Hackmann

Frits Hali

Jouke Osinga

Andreas Polman

Ton Stauttener

Klaas Visser

 

 Dirigent

Nico van der Meel

 

 

 

Recensies:

 

 

 


 

 

Postbus 70, 2300 AB Leiden; Postbank 5676811 t.n.v. William Byrd Vocaal Ensemble te Leiden,  http://www.koren.org/wbve