18 juni 2011, aanvang 20.30

Concerten bij Kaarslicht
Nicolaaskerk, Vlieland

Nicolaaskerk

programma voor Vlieland, 18 juni 2011

Johannes Brahms:

Robert Schumann:

Joseph Rheinberger: Messe in Es Dur “Cantus Missae”

         pauze

Ildebrando Pizzetti:

Claude Debussy: Trois Chansons (Charles d'Orléans)

Einojuhani Rautavaara: Suite de Lorca (Federíco García lorca)

Arturo Duo-Vital:


Uit Ungewisses Licht (oktober 2010)

Johannes Brahms
Lieder und Romanzen, op. 93a  (1883/4)                              
Brahms schreef veel van zijn koorwerken in zijn Weense periode, zo ook zijn opus 93a uit 1883/4. Te midden van zijn andere werken valt het op door de luchtige toon: de combinatie van volbloedpoëzie van Goethe en Rückert naast volksliedjes uit het Rijnland en uit Servië. Het is kenmerkend voor een componist die zo vaak folkloristische elementen tot doorwrochte vormen wist uit te werken.

Der Falke (Serbisch, Siegfried Kapper)


Hebt ein Falke sich empor,
wiegt die Schwingen stolz und breit,
fliegt empor, dann rechtshin weit,
bis er schaut der Veste Tor.

An dem Tor ein Mädchen sitzt,
wäscht ihr weißes Angesicht,
Schnee der Berge glänzet nicht,
wie ihr weißer Nacken glitzt.

Wie es wäscht und wie es sitzt,
hebt es auf die schwarzen Brau’n,
und kein Nachtstern ist zu schau’n,
wie ihr schwarzes Auge blitzt.

Spricht der Falke aus den Höh’n:
O du Mädchen wunderschön!
Wasche nicht die Wange dein,
daß sie schneeig glänze nicht!

Hebe nicht die Braue fein,
daß dein Auge blitze nicht!
Hüll’ den weißen Nacken ein,
daß mir nicht das Herze bricht!

Een valk verheft zich,
slaat trots en wijd zijn vleugels uit,
vliegt omhoog, vervolgens ver rechtdoor,
tot hij de poort van de vesting ziet.

Aan die poort zit een meisje,
en wast haar blanke gezicht;
de sneeuw van de bergen blinkt niet zo,
zoals haar blanke hals blinkt.

Hoe ze wast en hoe ze zit,
als ze haar wenkbrauwen optrekt,
is er geen ster meer in de nacht te zien,
zoals haar zwarte ogen flonkeren.

Daar spreekt de valk vanuit de hoogte:
Ach jij beeldschoon meisje!
Was je wangen niet,
zodat ze niet zo glanzen als sneeuw!

Trek je fijne wenkbrauwen niet op,
zodat je oog niet zo flonkert!
Bedek je blanke hals,
opdat m’n hart niet breekt!


O Süßer Mai (L. Achim von Arnim)


O süßer Mai,
Der Strom ist frei,
Ich steh verschlossen,
Mein Aug’ verdrossen,
Ich seh nicht deine grüne Tracht,
Nicht deine buntgeblümte Pracht,
Nicht dein Himmelsblau,
Zur Erd’ ich schau;
O süßer Mai,
Mich lasse frei,
Wie den Gesang
An den dunkeln Hecken entlang.

O lieve mei,
De stroom is weer vrij,
Ik sta in mezelf gekeerd,
Mijn ogen lusteloos,
Ik zie je groene tenue niet,
Niet je bontgebloemde schoonheid,
Niet je hemelsblauw,
Ik kijk neer ter aarde;
O lieve mei,
Laat me loskomen,
Zoals het gezang
Langs de duistere hagen.

Das Mädchen (Serbisch, Siegfried Kapper)


Stand das Mädchen, stand am Bergesabhang,
Widerschien der Berg von ihrem Antlitz,
Und das Mädchen sprach zu ihrem Antlitz:

„Wahrlich, Antlitz, o du meine Sorge,
Wenn ich wüßte, du mein weißes Antlitz,
Daß dereinst ein Alter dich wird küssen,
Ging hinaus ich zu den grünen Bergen,
Pflückte allen Wermuth in den Bergen,
Preßte bitt’res Wasser aus dem Wermuth,
Wüsche dich, o Antlitz, mit dem Wasser,
Daß du bitter, wenn dich küßt der Alte!

Wüßt’ ich aber, du mein weißes Antlitz,
Daß dereinst ein Junger dich wird küssen,
Ging hinaus ich in den grünen Garten,
Pflückte alle Rosen in dem Garten,
Preßte duftend Wasser aus den Rosen,
Wüsche dich, o Antlitz, mit dem Wasser,
Daß du duftest, wenn dich küßt der Junge!“

Er stond een meisje op de helling van een berg,
De berg weerkaatste haar gelaat,
En het meisje sprak tot haar gelaat:

“Werkelijk, gelaat, jij baart me zorgen,
als ik zou weten, jij mijn blank gelaat,
dat ooit een oude vent jou zou kussen,
dan zou ik naar de groene bergen gaan,
en daar in de bergen alle alsem plukken,
zou ik uit die alsem bitter sap persen,
zou ik je daarmee wassen, o gelaat,
zodat je bitter bent als die oude je kust!

Maar zou ik weten, jij mijn blank gelaat,
dat ooit een jonge vent je zou kussen,
dan zou ik naar de groene tuin gaan,
zou ik alle rozen in de tuin plukken,
zou welriekend sap van de rozen persen,
zou ik je daarmee wassen, o gelaat,
zodat je lekker ruikt, als die jongen je kust!”


Robert Schumann
In Dresden waren aan het begin van de 19de eeuw, net als in veel andere Duitse steden, koorverenigingen opgericht – een uiting van de opkomende burgercultuur. Van de Liedertafel werd Robert Schumann dirigent in 1847 en in 1848 richtte hij de Verein für Chorgesang op, die zich later de Robert Schumannsche Singakademie zou noemen. Met deze koren werden Palestrina, Bach, Händel en Haydn uitgevoerd – en uiteraard schreef Robert zelf ook muziek. Om preciezer te zijn: vrijwel alle koorwerken van Robert ontstonden in zijn Dresdener periode en waren bedoeld voor zijn eigen koren. De tekstkeuze van zijn koorliederen verraadt Roberts brede literaire belangstelling. Naast de bekendere Duitse dichters vallen vertalingen van de Schotse dichter Robert Burns op.

John Anderson, op. 145, nr.4 (Robert Burns)


John Anderson, mein Lieb!
Wir haben uns geseh'n,
Wie rabenschwarz dein Haar,
die Stirne glatt und schön!
Nun Glätte nicht noch Locke
der schönen Stirne blieb;
Doch segne Gott dein schneeig Haupt,
John Anderson, mein Lieb.

John Anderson, mijn lief!
We hebben elkaar gezien,
Hoe ravenzwart was je haar,
je voorhoofd strak en mooi!
Nu is je voorhoofd niet meer strak
en zijn je lokken weg;
Maar God zegene je sneeuwwitte hoofd,
John Anderson, mijn lief!

John Anderson, mein Lieb!
Wir klommen froh bergauf,
Und manchen heitern Tag
begrüßten wir im Lauf.
Nun abwärts Hand in Hand,
froh wie's bergauf uns trieb,
Und unten sel'ges Schlafengeh'n,
John Anderson, mein Lieb!

John Anderson, mijn lief!
We beklommen opgewekt de bergen,
En menige zonnige dag
begroetten wij zo onderweg.
Dan daalden we hand in hand weer af,
Net zo opgewekt als bij de beklimming,
en bij het zalige slapengaan,
John Anderson, mijn lief!

 

Jägerlied, op. 59, nr.3 (Eduard Mörike)


Zierlich ist des Vogels Tritt im Schnee,
wenn er wandelt auf des Berges Höh':
zierlicher schreibt Liebchens liebe Hand,
schreibt ein Brieflein mir in’s ferne Land.

In die Lüfte hoch ein Reiher steigt,
dahin weder Pfeil noch Kugel fleugt:
Tausendmal so hoch und so geschwind
die Gedanken treuer Liebe sind.

Sierlijk is het voetspoor van een vogel in de sneeuw, als hij hoog in de bergen loopt:
maar nog sierlijker schrijft mijn liefje,
als ze mij, zo ver weg, een briefje schrijft.

Hoog in de lucht stijgt een reiger op,
zo hoog kan een pijl of kogel niet komen:
maar duizend keer zo hoog en net zo snel
zijn de gedachten van trouwe liefde.


Zahnweh, op. 55, nr.2 (Robert Burns)         


Wie du mit gift'gem Stachel fast
Die Kiefern mir zerrissen hast
Mein Ohr durchdröhnet ohne Rast
Dein Marterstich.
Du bist der Nerven Pein und Last:
Fluch über dich!

Stellt Fiebers Glut und Frost sich ein,
Zwickt's hier und dort in Mark und Bein,
Mitleid und Trost wird uns verleih'n
Des Nachbars Herz;
Du aber fügst zu Höllenpein
Noch Spottes Schmerz!

Mir rieselt's eiskalt über's Kinn,
Die Sessel schleudr' ich her und hin,
Um's Feuer tanzt mit lust'gem Sinn
Die kleine Brut,
ein Schwarm von Hummeln,
Ach! Ich bin Wahnsinn und Wut!

Von allen Plagen auf der Welt,
Mißrath'ner Ernte, wenig Geld,
Der Schurken Zunft,
Die Netze stellt
Mit List und Fleiß
Und dem, was Freud' uns sonst vergällt,
trägst du den Preis!

O Schwefelhaupt im Glutpalast,
Der du die Qual geboren hast,
Und willst, daßNebel und Morast
Auf Erden weh',
Gieb jedem, der Alt-Schottland haßt,
Ein Jahr dein Weh!

Zoals je me met je giftige stekel bijna
de kaken uit elkaar gescheurd hebt
Je foltersteek doordreunt mijn oren zonder ophouden.
Je bent pijn en belasting voor mijn zenuwen: vloek over jou!

Als het gloeien en rillen van de koorts begint, steekt het hier en daar door merg en been, maar het hart van de buurman zal ons medelijden en troost schenken;
Maar jij voegt aan die helse pijn
nog de smart van bespotting toe!

Een ijskoude rilling loopt over m’n kin,
ik sleur de stoelen heen en weer,
Rond het vuur danst met vrolijk gemoed
het kleine gebroed,
een zwerm hommels,
Ach! Ik ben waanzinnig en kwaad!

Van alle plagen in de wereld,
mislukte oogst, weinig geld,
een boevengilde,
dat met bedrog en toewijding
een vangnet opzet,
en alles wat verder ons plezier vergalt, daarvan ben jij de prijsdrager!

O, jij zwavelkop in een gloedpaleis,
jij die de kwelling gebaard hebt,
en wilt dat mist en moerassen
op aarde bestaan,
geef aan iedereen, die oud-Schotland haat, een jaar lang jouw pijn!


Josef Gabriel Rheinberger
Messe in Es, op. 109 "Cantus Missae" (1887)                   
Een beetje een buitenbeentje in dit programma is de Mis in Es voor dubbelkoor, bijgenaamd Cantus Missae, van Josef Rheinberger (1839-1901). Rheinberger is in de eerste plaats bekend vanwege zijn orgelwerken, maar zijn oeuvre is zeer breed en omvat ook orkestwerken, vier opera's, pianomuziek, kamermuziek en vocale muziek in al zijn verschijningsvormen. Rheinberger, geboren in Liechtenstein, werkte het grootste deel van zijn leven in München en werd daar al pianoleraar aan het conservatorium toen hij 20 jaar was – en compositieleraar een jaar later. Op den duur reisden musici uit de hele wereld af naar München om les bij hem te nemen. Rheinberger werd vele malen onderscheiden en geëerd, onder andere met een eredoctoraat van de universiteit van München.
In 1877 werd Rheinberger benoemd tot hofkapelmeester van de Allerheiligen-Hofkirche. De eerste tijd voerde hij in die functie alleen werken van anderen uit; Palestrina nam daarbij een belangrijke plaats in. Op nieuwjaarsdag 1879 klonk voor het eerst een mis van zijn hand: de dubbelkorige Mis in Es. Dat dit stuk een succes was, bewijst het feit dat het op eerste paasdag 1879 en 1880 nogmaals klonk. Hoewel het idioom van de mis duidelijk romantisch is, zijn de dubbelkorigheid en de schrijfwijze geïnspireerd op componisten uit de renaissance. En hierin is dan toch een overeenkomst te vinden met Schumann en Brahms, die zich – zeker in hun geestelijke werken – ook lieten inspireren door oude meesters als Palestrina, Lassus, Bach en Händel.

Kyrie


Kyrie eleison.

Heer, ontferm U over ons.

Christe eleison.

Christus, ontferm U over ons.

Kyrie eleison.

Heer, ontferm U over ons.

 

Gloria

Gloria in excelsis Deo.

Eer zij God in den hoge

Et in terra pax hominibus bonae voluntatis.

En vrede op aarde aan de mensen van goede wil.

Laudamus te, benedicimus te, adoramus te, glorificamus te.

Wij loven U, wij zegenen U, wij aanbidden U, wij verheerlijken U.

Gratias agimus tibi propter magnam gloriam tuam.

Wij danken U om Uw grote heerlijkheid.

Domine Deus, Rex coelestis, Deus Pater omnipotens.

Heer God, hemelse Koning, God almachtige Vader.

Domine Fili unigenite Jesu Christe.

Heer, eniggeboren Zoon, Jezus Christus.

Domine Deus, Agnus Dei, Filius Patris.

Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader.

Qui tollis peccata mundi, miserere nobis.

Hij die wegneemt de zonden der wereld, ontferm U over ons.

Suscipe deprecationem nostram.

Ontvang onze smeekbede.

Qui sedes ad dextram Patris, O miserere nobis.

Gij, die zit aan de rechterhand van de Vader, ontferm U over ons.

Quoniam tu solus Sanctus, tu solus Dominus, tu solus Altissimus, Jesu Christe.

Want alleen U bent heilig, U alleen Heer, U alleen de Allerhoogste, Jezus Christus.

Cum Sancto Spiritu in gloria Dei Patris.
Amen.

Met de Heilige Geest, in de glorie van God de Vader. Amen.

 

Credo

Credo in unum Deum; Patrem omnipotentem, factorem coeli et terrae, visibilium omnium et invisibilium.

Ik geloof in één God, de Almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde, van alle zichtbare en onzichtbare dingen.

Et in unum Dominum Jesum Christum, Filium Dei unigenitum, et ex Patre natum ante omnia saecula.

En in één Heer, Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, uit de Vader geboren vóór alle eeuwen.

Deum de Deo, lumen de lumine, Deum verum de Deo vero, genitum non factum, consubstantialem Patri: per quem omnia facta sunt.

God van God, licht uit licht, waarlijke God van de waarlijke God. Geboren en niet gemaakt, één van wezen met de Vader, door wie alles gemaakt is.

Qui propter nos homines, et propter nostram salutem descendit de coelis.

Die om ons mensen en om onze redding uit de hemel is nedergedaald.

Et incarnatus est de Spiritu Sancto ex Maria Virgine: et homo factus est.

En Hij is vleesgeworden uit de Heilige Geest en de Maagd Maria: en Hij is mens geworden.

Crucifixus etiam pro nobis sub Pontio Pilato, passus et sepultus est.

Hij is zelfs voor ons gekruisigd, heeft geleden onder Pontius Pilatus en is begraven.

Et resurrexit tertia die secundum Scripturas.

En op de derde dag is hij opgestaan, overeenkomstig de schriften.

Et ascendit in coelum: sedet ad dexteram Patris.

Hij is opgevaren ten hemel: waar hij zetelt aan de rechterhand des Vaders.

Et iterum venturus est cum gloria, judicare vivos et mortuos: cujus regni non erit finis.

En hij zal wederkeren met heerlijkheid om te oordelen de levenden en de doden; en zijn heerschappij zal geen einde kennen.

Et in Spiritum Sanctum, Dominum, et vivificantem: qui ex Patre Filioque procedit.

En ik geloof in de Heilige Geest, de Heer en levensbrenger: Die uit de Vader en de Zoon voortkomt.

Qui cum Patre et Filio simul adoratur et conglorificatur: qui locutus est per Prophetas.

Die met de Vader en de Zoon tezamen wordt aanbeden en verheerlijkt: die aangekondigd is door de Profeten.

Et in unam sanctam catholicam et apostolicam Ecclesiam.

En in één heilige, algemene en apostolische kerk.

Confiteor unum baptisma, in remissionem peccatorum.

Ik belijd één doop ter vergeving van de zonden.

Et expecto resurrectionem mortuorum et vitam venturi saeculi.
Amen.

En ik verwacht de wederopstanding der doden, en het eeuwige leven.
Amen.

 


Sanctus

Sanctus, sanctus, sanctus, Dominus Deus Sabaoth.

Heilig, heilig, heilig, de heer der hemelse machten.

Pleni sunt coeli et terra gloria tua.

Vol zijn hemel en aarde van Uw heerlijkheid.

Osanna in excelsis.

Hosanna in den hoge.

 

Benedictus

Benedictus qui venit in nomine Domini,

Gezegend, hij die komt in de naam des Heren.

Osanna in excelsis.

Hosanna in den hoge.

 

Agnus Dei

Agnus Dei, qui tollis peccata mundi: Miserere nobis.

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm U over ons.

Agnus Dei, qui tollis peccata mundi: dona nobis pacem.

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, geef ons vrede.

 

         pauze


Ildebrando Pizzetti  (1880-1968)
Ildebrando Pizzetti (1880-1968) was een zeer invloedrijk man in de muziekwereld. En hoewel hij over het algemeen gezien werd als muzikaal conservatief, werd hij alom gewaardeerd en geprezen. Onder zijn werken vallen vooral een flink aantal opera’s op eigen teksten en een grote hoeveelheid filmmuziek op. Pizzetti is, naast Malipiero, een van de voortrekkers geweest in de beweging die de Italiaanse muziek weer in verband wilde brengen met de muziek uit de Renaissance en de vroege barok. In zijn opera’s keert Pizzetti zich dan ook af van het ‘verismo’ (eigentijds realisme) van Puccini en streeft hij naar de heldere vormen van de opera’s van Monteverdi (1567-1643). Ook in zijn koorwerken probeert Pizzetti stijlkenmerken van de oude muziek terug te brengen. Van zijn vele koorwerken kozen we voor dit programma een drieluik van heftig emotionele koorcomposities uit 1942/3, de Tre Composizioni Corali, een geschenk van Pizzetti aan paus Pius XII voor diens 25-jarig ambtsjubileum.

uit Musica Corale del Novecento

Cade la sera  (Gabriele d'Annunzio)

Cade la sera. Nasce
la luna dalla Verna
cruda, roseo nimbo
di tal ch’effonde pace
senza parola dire.
Pace hanno tutti i gioghi.
Si fa più dolce il lungo
dorso del Pratomagno,
come se blandimento
d’amica man l’induca a sopor lento.

Su i pianori selvosi
ardon le carbonaie,
solenni fuochi in vista.
L’Arno luce fra i pioppi.
Stormire grande, ad ogni
soffio, vince il corale
ploro de’ flauti alati
che la gramigna asconde.
E non s’ode altra voce,
Dai monti l’acqua corre a questa foce.

De avond valt,
de maan komt op achter de kale Verna,
een zodanige stralenkrans
die vrede uitstraalt
zonder een woord te zeggen.
Alle onderdrukten hebben rust.
De langgerekte rug
van de bergweide wordt vrediger,
alsof de streling van een geliefde hand
hem in staat van een langzame schemering brengt.
Over de beboste velden
branden de haarden,
plechtige zichtbare vuren.
De Arno licht op tussen de populieren.
Luid geruis bij ieder
zuchtje wind overwint het koor
van gevleugelde fluiten
dat het tarwegras in zich bergt.
En er is niets anders te horen.
Van de bergen stroomt het water naar deze uitmonding.


Met de Franse slag (februari 1996)

Claude Debussy: Trois Chansons (Charles d'Orléans)
Er was in Franse muziek altijd al veel aandacht geweest voor klankkleur, maar in de werken van Claude Debussy (1862-1918) krijgt het begrip kleur een hele nieuwe betekenis.  Hij beschouwde kleur en harmonie niet meer als onafhankelijke zaken: bij hem hebben accoorden soms nog wel hun harmonische functie, maar de kleuring die een accoord aan de muziek geeft is minsten zo belangrijk.  Dit idee is bepalend voor vrijwel alle Franse muziek van de twintigste eeuw.  Tegelijkertijd was er in de Franse muziek ook alle mogelijkheid om historisme, natuurbeschouwing en invloed van niet-westerse muziek een plaats te geven.  Debussy schreef in 1901:"Zoek de orde in de vrijheid en niet in leuzen van een aftandse, alleen voor zwakkelingen bruikbare filosofie.  Laat je door niemand raden, behalve door de langswaaiende wind die over de wereld verhaalt."
Aan het begin van deze eeuw was er in Frankrijk geen echte traditie van a cappella-koorzang.  Bij het schrijven van werken voor a cappella-koor kon men zich echter laten inspireren door twee vormen van eigen bodem.  Enerzijds kon het chanson, het meer­stemmige lied uit de renaissance zoals gecomponeerd door Clément Janequin en Claude le Jeune, als voorbeeld dienen.  (De muziek uit de renaissance werd onder invloed van het historisme weer bestudeerd.)  Anderzijds was de invloed groot van de mélodie, het solo-lied met piano dat zich in de saloncultuur een vooraanstaande plaats had verwor­ven.  In de 'Trois Chansons' uit 1908, het enige a cappella-werk van Debussy, zijn deze twee verschillende invloeden duidelijk te herkennen.  Het eerste deel is een homofoon gezang, dat net als de werken van Le Jeune sterk aan het woordritme gebonden is.  Het tweede deel is in meest letterlijke betekenis een solo-lied met begeleiding van de rest van het koor.  In het derde deel komt een ander aspect van oude muziek om de hoek kijken, namelijk het gebruik van imitaties.

Dieu! qu'il la fait bon regarder!

Dieu! Qu’il la fait bon regarder,
La gracieuse bonne et belle;
Pour les grans biens que sont en elle,
Chascun est prest de la loüer.
Qui se pourroit d’elle laisser?
Tousjour sa beauté renouvelle.
Dieu, qu’il la fait fait bon regarder,
La gracieuse bonne et belle!
Par de ça, ne de là, la mer
Ne scay dame ne damoiselle
Qui soit en tous bien parfais telle.
C’est ung songe que d’i penser:
Dieu! Qu’il la fait bon regarder!

God, wat heeft u haar mooi gemaakt;
Zo bevallig, zo goed en zo mooi;
Voor de grote deugden, die haar deel zijn,
wil ieder haar wel prijzen.
Wie kan er genoeg van haar krijgen?
Elke dag weer vernieuwt zich haar schoonheid.
God, wat heeft u haar mooi gemaakt,
Zo bevallig, zo goed en zo mooi;
Waar ik ook ga, welke zeeën ik bevaar
ik ken geen vrouw of meisje als haar,
die zo volkomen volmaakt is als zij.
Het is een droom, aan haar te denken:
God, wat heeft u haar  mooi gemaakt!

Quant j'ai ouy le tambourin

Quant j’ai ouy le tambourin sonner,
Pour s’en aller au may,
En mon lit n’en ay fait affray
Ne levé mon chief du coissin;
En disant: il est trop matin,
Ung peu je me rendormiray:
Quant j’ai ouy le tambourin sonner
Pour s’en aller au may,
Jeunes gens partent leur butin;
De non chaloir m’accointeray,
A lui je m’abutineray:
Trouvé l’ay plus prouchain voisin.

Toen met muziek van bellen hel
de tamboerijn tot ‘t Meifeest riep,
hield ik mij stil, alsof ik sliep.
Het hoofd in het kussen, dacht ik:
‘Wel, ‘t is mij te vroeg voor dans en spel,
nog even, en ik sluimer diep.’
Toen met muziek van bellen hel
de tamboerijn tot ‘t Meifeest riep,
Wat jong is, licht van voeten, snel
en eensgezind naar buiten liep,
vond ik mijn vriend en metgezel,
toen rink’lend riepen bellen hel.

Yver, vous n'estes qu'un villain

Yver, vous n’estes qu’un villain.
Esté est plaisant e gentil,
en témoing de may et d’avril,
qui l’accompagnent soir et main.
Esté revet champs, bois et fleurs
de sa livrée de verdure
et de maintes autres couleurs
par l’ordonnance de nature.
Mais vous, Yver, trop estes plein de nège
de nège, vent pluye et grézil.
On vous deust banir en éxil.
Sans point flatter je parle plein:
Yver, vous n’estes qu’un villain.

Winter, ge zijt niets anders dan een schelm.
De Zomer is bekoorlijk en zacht,
zoals mei en april doen blijken
die hem avond en morgen begeleiden.
De Zomer bedekt velden, bossen en bloemen
met een livrei van groen
en van menig andere kleur
op bevel van de Natuur.
Maar gij, Winter, zijt te vol van sneeuw,
van sneeuw, wind en hagel.
Men zou u moeten verbannen.
Onverbloemd zeg ik volmondig:
Winter, ge zijt niets anders dan een schelm.


Iberisch Programma (januari 1994) / Het Hoge Noorden (september 1998)

Einojuhani Rautavaara: Suite de Lorca (Federíco García lorca)
Rautavaara behoort zonder twijfel tot de belangrijkste Finse componisten van de vorige eeuw. De vocale werken nemen een belangrijke plaats in zijn oeuvre in. Van constructivisme moet Rautavaara niets hebben. Hoewel hij de twaalftoonstechniek veel heeft toegepast, is het gebruik hiervan voor hem geen voorwaarde om te componeren en vanwege de toegankelijkheid is hier in de vocale werken dan ook niets van te vinden. De “Suite de Lorca” is buitengewoon rijk aan zeggingskracht en ondersteunt de bittere poëzie van García Lorca, die honderd jaar geleden  werd geboren, volkomen.

Canción de iinete (Ruiterliedje)

Córdoba.
Lejana y sola.

Jaca negra, luna grande,
y aceitunas en mi alforja. 
Aunque sepa los caminos
yo nunca llegaré a Córdoba.

Por el llano, por el viento,
jaca negra, luna roja.
La muerte me está mirando
desde las torres de Córdoba

¡Ay qué camino tan largo!
¡Ay mi jaca valerosa!
¡Ay qué la muerte me espera,
antes de llegar a Córdoba!

Córdoba.
Lejana y sola.

Córdoba.
Ver en verloren.

Zwart paardje, grote maan,
Olijven in mijn zadeltas. 
Al weet ik ook de wegen,
nooit kom ik in Córdoba.

De vlakte door, door de vlagen,
zwart paardje, rode maan,
staat de dood mij aan te staren
van de torens van Córdoba.

De weg langer en langer. 
Ay, paardje met stage pas! 
Ay, nu de dood mij opwacht
voor ik aankom in Córdoba!

Córdoba.
Ver en verloren.

 


El Grito

La elipse de un grito
va de monte
a monte.

Desde los olivos,
será un arco iris negro
sobre la noche azul.
         ¡Ay!
 Como un arco de viola,
el grito ha hecho vibrar
largas cuerdas del viento.
         ¡Ay!
(Las gentes de las cuevas
asoman sus velones.)
         ¡Ay!

De ellips van een gil
slaat van bergwand
tot bergwand.

Uit de olijvenwei
wordt hij tot regenboog
zwart op het nachtblauw.
         Ay!
Als een vioolstreek
liet de gil de lange snaren
trillen van de wind.
         Ay!
(Die in de holen wonen
komen met walmende lampen.)
         Ay!

 

La luna asoma

Cuando sale la luna
se pierden las campanas
y aparecen las sendas
impenetrables.

Cuando sale la luna
el mar cubre la tierra
y el corazón se siente
isla en el infinito.

Nadie come naranjas
bajo la luna liena.
Es preciso corner
fruta verde y helada.

Cuando sale la luna
de cien rostros iguales,
la moneda de plata
solloza en el bolsillo.

Als de maan opkomt
gaat de klokkeklank teloor,
ondoordringbare paden
komen te voorschijn.

Als de maan opkomt
vloeit zee over land
en het hart voelt zich als
eiland in de ruimte.

Géen eet sinaasappels
onder volle maan.
Wat gegeten moet:
vruchten koud en groen.

Als de maan opkomt
met haar honderdvoud eender aanschijn,
gaan in de zak
de zilveren munten snikken.

 


Malagueña

La muerte
entra y sale
de la taberna.

Pasan caballos negros
y gente siniestra
por los hondos caminos
de la guitarra.Y hay un olor a sal
y a sangre de hembra
en los nardos febriles
de la marina.La muerte
entra y sale,
y sale y entra
la muerte
de la taberna

Het sterven
gaat in en uit
de taverne.

Er komen zwarte paarden
en ongure lieden aan
over de holle paden
die de gitaar inslaat.En het is naar zout gaan ruiken
en het ruikt naar wijfjesbloed
uit de koortsende jasmijnen
aan de zeekant.Het sterven
gaat in en uit,
en uit en in gaat
het sterven
in de taverne.

vertaling: Dolf Verspoor

uit:   Cantigas y Canciones (april 2007)

Arturo Duo-Vital:
Arturo Dúo Vital stamt uit het Baskische Castro Urdiales en deze stad bleef hij ondanks vele reizen en betrekkingen in andere steden altijd trouw. Van het lokale koor, de Sociedad Coral, was hij aanvankelijk gewoon lid, later dirigent. Hij studeerde eerst in het conservatorium in Bilbao, later ook in Parijs compositie bij Paul Dukas en in Madrid orkestdirectie. Tijdens de Spaanse burgeroorlog zat hij een tijd gevangen vanwege zijn republikeinse gezindheid. Hij legde een grote belangstelling aan de dag voor de volksmuziek uit het westelijk deel van de Spaanse Pyreneeën en het gebied rond Santander, de Montaña. Voor een aantal sololiederen kreeg hij compositieprijzen, o.a. voor Seis canciones montañesas. Als actieve koordirigent maakte Dúo Vital logischerwijs ook koorzettingen van montanese liederen, waaronder Mozuca.


"Mozuca" (Cancion montañesa)

Dicen que eres buena mozabuena moza no lo eresdicen que eres resalada¿donde está la sal que tienes? Ze zeggen dat je een knappe meid bentEen knappe meid dat ben je nietZe zeggen dat je pittig bentWaar is de pit die je hebt?
Yo la vi y ella me miraba yen la mano llevaba una jarra.Por tres cosas te he querido por morena  y por alegre y por los ojos bonitosque aprisionada me tienen yo la vi y ella me mirabay en la mano llevaba una jarra Ik zag haar en zij keek naar me enIn de hand droeg ze een kruikOm drie dingen heb ik van je gehoudenOm de brunette en om de vrolijke en om de mooie ogen die mij gevangen houdenIk zag haar en zij keek naar meEn in de hand droeg ze een kruik
Dicen que eres buena mozabuena moza no lo eresdicen que eres resalada¿donde está la sal que tienes? Ze zeggen dat je een knappe meid bentEen knappe meid dat ben je nietZe zeggen dat je pittig bentWaar is de pit die je hebt?
Yo la vi y ella me miróy en la mano llevaba una florAy que si ay que nosi tú tienes huerta prado tengo yoay que sí que síay que no que nosi tú tienes madre “güela” tengo yo Ik zag haar en ze keek me aanEn in de hand droeg ze een bloemWee zo ja wee zo neeAls jij een boomgaard hebt, heb ik een weiland Wee zo ja zo jaWee zo nee zo neeAls jij moeder hebt, heb ik een oma
Si tú tienes madre, abuela tengo yoSi tú tienes jarra, vino tengo yo Als jij moeder hebt, heb ik een grootmoederAls jij een kruik hebt, heb ik wijn
 
 
Vert. Hanna Thuránszky
 

 


El Metro de Doce

El metro de doce son cuatro donceles,donceles latinos de rítmica tropa,son cuatro hijosdalgo con cuatro corceles;el metro de doce galopa, galopa... De versmaat van twaalf zijn vier pagesLatijnse pages van ritmische troepenHet zijn vier edelmannen met vier rossenDe versmaat van twaalf galoppeert, galoppeert....
Eximia cuadriga de caso sonoroque arranca al guijarro sus chispas de oro,caballos que en crines de seda se arropano al viento las tienden como pabellones;pegasos fantasmas, los cuatro bridonesgalopan, galopan, galopan, galopan... Uitmuntende vierspan van klinkend gevalDie aan de keien zijn gouden vonken ontloktPaarden die zich met zijden manen bedekkenOf ze in de wind uitstrekken als vlaggenPegasus schimmen, de vier rossenGalopperen, galopperen...
¡Oh, metro potente, doncel soberanoque montas nervioso bridón castellanocubierto de espumas perladas y blancas:apura la fiebre del viento en la copay luego galopa, galopa, galopa,llevando en Ensueño prendido a tus ancas! Och, krachtige versmaat, oppermachtige pageDie nerveuse Castiliaanse ros bestijgtBedekt met parelkleurige en witte verenDe koorts van de wind in de kruin opdrinktEn daarna galoppeert, galoppeert, galoppeert,Het Droombeeld achterop je paard meevoerend!
El metro de doce son cuatro garzones,garzones latinos de rítmica tropa;son cuatro hijosdalgo con cuatro bridones:el metro de doce galopa, galopa... De versmaat van twaalf zijn vier jongelingenLatijnse pages van ritmische troepenHet zijn vier edelmannen met vier rossenDe versmaat van twaalf galoppeert, galoppeert....
Amado Nervo
 
Vert. Hanna Thuránszky