Programma Wild Nights

Samuel Barber
Let down the bars, O Death, op. 8, nr. 2 (Emily Dickinson)
To be sung on the Water, op. 42, nr.2 (Louise Bogan)

William Schuman
Carols of Death (Walt Whitman)

  • - The Last Invocation
  • - The Unknown Region
  • - To All, to Each

Rudolf Escher
Songs of Love and Eternity (Emily Dickinson)

  • - These are the days when birds come back
  • - Wild nights! Wild nights!
  • - Heart, we will forget him!
  • - The wind tapped like a tired man
  • - To make a prairie

Folke Rabe
uit: to love (E.E. Cummings)

  • - when i have thought of you
  • - may if feel said he
  • - i like my body
  • - when my love comes to see me

Pauze

Elliot Carter
Heart not so Heavy as Mine (Emily Dickinson)

Raymond Schroyens
uit: Six Dickinson Miniatures (Emily Dickinson)

  • - Heart, we will forget him!
  • - Parting
  • - Summer for thee

Marius Flothuis
uit: Music for USC

  • - Central Park (Sara Teasdale)
  • - Forgetfulness (Hart Crane)
  • - Dark Summer (Louise Bogan)

Arne Mellnäs
dream (E.E. Cummings)

aff_wn.jpg (57990 bytes)


Toelichting en teksten

Samuel Barber (geboren op 9 maart 1910 in Pennsylvania) schreef zijn eerste compositie op 7-jarige leeftijd en begon toen hij 10 was aan zijn eerste opera. Op zijn 14e begon hij, in het Curtis Institute, aan zijn studie zang, piano en compositie. Later studeerde hij directie bij Fritz Reiner.

In het Curtis Institute leerde hij Gian Carlo Menotti kennen, met wie zich een levenslange persoonlijke en professionele relatie ontwikkelde. Menotti schreef de libretti voor zijn opera's Vanessa (onderscheiden met een Pulitzer) en A Hand of Bridge. Barbers muziek is uitgevoerd door een uitzonderlijk groot aantal beroemde musici en dirigenten, onder wie Vladimir Horowitz, John Browning, Martha Graham, Arturo Toscanini, Dmitri Mitropoulos en Eleanor Steber. In 1966 schreef hij ter gelegenheid van de opening van het nieuwe Metropolitan Opera House (Lincoln Center) de opera Anthony and Cleopatra.

Barber, wiens composities opvallen door een mengsel van romantiek, lyriek, ritmische complexiteit en harmonische rijkdom, ontving talloze prijzen, waaronder de American Prix de Rome en twee Pulitzer-prijzen; bovendien werd hij gekozen tot lid van de American Academy of Arts and Letters. Het intens lyrische Adagio voor strijkers is een van zijn meest herkenbare en populaire composities en werd gebruikt in de films Platoon, The Elephant Man en Lorenzo's Oil.

Samuel Barber op. 8, nr. 2

Let down the bars, O Death - Emily Dickinson

Let down the bars, O Death!
The tired flocks come in
Whose bleating ceases to repeat,
Whose wandering is done.
Thine is the stillest night,
Thine the securest fold;
Too near thou art for seeking thee,
Too tender to be told.

 

 

 

Samuel Barber op. 42, nr.2

To Be Sung on the Water - Louise Bogan

Beautiful, my delight,
Pass, as we pass the wave.
Pass, as the mottled night
Leaves what it cannot save,
Scattering dark and bright.
Beautiful, pass and be
Less than the guiltless shade
To which our vows were said;
Less than the sound of the oar
To which our vows were made,?
Less than the sound of its blade
Dipping the stream once more.

Emily Dickinson

Emily Dickinson werd in 1840 geboren in Amherst, Massachusetts. Zij bezocht Mount Holyoke Female Seminary in South Hadley, maar keerde na een jaar alweer naar huis vanwege extreme heimwee. In de jaren daarop volgend verliet ze haar huis nauwelijks en leefde ze een teruggetrokken bestaan. Maar de paar mensen met wie ze contact had, hadden een intense invloed op haar gedachten en gedichten. Een van de belangrijksten was dominee Charles Wadsworth, die ze tijdens een bezoek aan Philadelphia had ontmoet. Na een bezoek aan haar huis in 1860 vertrok hij naar de westkust, wat voor Dickinson de aanleiding vormde tot het schrijven van een aangrijpende stroom gedichten. Na die tijd verbrak zij vrijwel elk contact met de buitenwereld, maar wel onderhield ze uitgebreide briefwisselingen en las ze vrijwel onafgebroken.

In haar poëzie speelt eenzaamheid een overheersende rol, maar de mogelijkheid van toekomstig geluk wordt steeds opengelaten. Haar gedichten zijn duidelijk geïnspireerd door de 17-eeuwse Engelse Metaphysical Poets, maar ook haar Puriteinse opvoeding en het lezen van de Openbaringen hebben hun sporen nagelaten. Ze was een groot bewonderaarster van de gedichten van Robert en Elizabeth Barrett Browning en John Keats. Waarschijnlijk heeft ze nooit iets gelezen van haar tijdgenoot Walt Whitman (wiens gedichten als "onfatsoenlijk" werden beschouwd), maar beide dichters gelden nu als de twee grootste vertegenwoordigers van een uniek Amerikaans geluid. Dickinson heeft honderden gedichten op haar naam staan en ze stuurde regelmatig gedichten mee met brieven die ze aan vrienden schreef. Tijdens haar leven (ze stierf in Amherst in 1886) heeft ze niet van haar roem kunnen genieten: de eerste editie van haar werk verscheen postuum in 1890, de laatste in 1955.

Louise Bogan

Louise Bogan werd in 1897 geboren in Livermore Falls, Maine. Ze kreeg haar opleiding aan de Boston Girls' Latin School en bracht één jaar door aan de universiteit van Boston. Ze trad in 1916 in het huwelijk, maar was vier jaar later al weduwe. In 1925 trouwde ze haar tweede man, de dichter Raymond
Holden, van wie ze in 1937 scheidde. Haar gedichten werden gepubliceerd in de New Republic, de Nation, Poetry: A Magazine of Verse, Scribner's en Atlantic Monthly. Gedurende 28 jaar recenseerde zij gedichten voor The New Yorker.

Bogan beschouwde de "bekentenispoëzie" van dichters als Robert Lowell en John Berryman als smakeloos en genotzuchtig. Dichters wier werk ze wel bewonderde, zoals Theodore Roethke, konden echter op haar volledige steun een aanmoediging rekenen. Louise Bogan leidde een teruggetrokken bestaan en sprak met grote
tegenzin over haar eigen leven. De meeste van haar dichtbundels verschenen in de jaren twintig en dertig van de 20e eeuw, waaronder Body of This Death (1923), Dark Summer (1929) en The Sleeping Fury (1937). Veel later publiceerde zij The Blue Estuaries: Poems 1923-1968, een overzicht van al haar gedichten. In haar werk hield Bogan strak vast aan lyrische vormen, terwijl tegelijkertijd ook emoties een belangrijke rol spelen: een belangrijk thema vormt de eeuwige strijd tussen hart en verstand. Louise Bogan overleed in New York City in 1970.

William Schuman

werd geboren op 4 augustus 1910 in New York Op de middelbare school begon hij al met componeren en vormde hij een jazzensemble, waarin hij viool en banjo speelde. Hij behaalde diploma's aan het Columbia University Teachers College en studeerde op de Julliard School of Music bij Roy Harris, die een sterke invloed op de jonge componist uitoefende.

Schuman heeft zich in vrijwel alle muzikale genres verdienstelijk gemaakt en zijn sterke persoonlijkheid weerspiegelt zich in een duidelijk gedefinieerde structuur, lijn en dynamiek. Hij liet zich inspireren door Amerikaanse jazz- en folk-tradities en zijn werk laat een geleidelijke ontwikkeling zien van harmonisch conservatief tot gebruik van dissonanten en polytonaliteit. Zijn wereldlijke cantate A Free Song ontving in 1943 de eerste Pulitzer-prijs voor muziek.

Schuman speelde een belangrijke rol in het Amerikaanse muziekleven: op zijn 35e kreeg hij een leidinggevende positie bij G. Schirmer, Inc. en werd hij benoemd tot directeur van de Juilliard School. In die hoedanigheid zorgde hij voor een complete revolutie in het muziekonderwijs en het was voor een groot deel aan hem te danken dat het (inmiddels wereldberoemde) Julliard Quartet werd gevormd. In 1962 werd hij de eerste directeur van het nieuwe Lincoln Center for the Performing Arts.

Daarnaast heeft Schuman aan het hoofd gestaan van de Koussevitzky Music Foundation, de Walter W. Naumburg Foundation, de Chamber Music Society van het Lincoln Center, National Educational Television en de Film Society van het Lincoln Center. Schuman ontving in 1987 de National Medal of Arts en werd in 1989 benoemd tot eredoctor aan het Kennedy Center in Washington. William Schuman overleed op 15 februari 1992.

William Schuman Carols of Death

The Last Invocation - Walt Whitman

(Whispers of Heavenly Death, 1868)

At the last, tenderly, From the walls of the powerful fortress'd house,
From the clasp of the knitted locks, from the keep of the well-closed doors,
Let me be wafted.
Let me glide noiselessly forth;
With the key of softness unlock the locks?with a whisper,
Set open the doors O soul.
Tenderly?be not impatient,
(Strong is your hold O mortal flesh,
Strong is your hold O love.)

 

 

Darest Thou Now O Soul - Walt Whitman

(Whispers of Heavenly Death, 1868)

Darest thou now O soul,Walk out with me toward the unknown region,Where neither ground is for the feet nor any path to follow?
No map there, nor guide,
Nor voice sounding, nor touch of human hand,
Nor face with blooming flesh, nor lips, nor eyes, are in that land.
I know it not O soul,
Nor dost thou, all is a blank before us,
All waits undream'd of in that region, that inaccessible land.

 

To All, To Each - Walt Whitman

(uit: When Lilacs Last in the Dooryard Bloom'd)

Come, lovely and soothing Death,Undulate round the world, serenely arriving, arriving,In the day, in the night, to all, to each,Sooner or later, delicate Death.

Walt Whitman
portret: gravure van Samuel Hollyer (1854)

Walt Whitman werd op 31 mei 1819 geboren als tweede zoon van aannemer Walter Whitman en Louisa Van Velsor. Het gezin met negen kinderen woonde in de jaren twintig en dertig in Brooklyn en op Long Island. Op zijn twaalfde begon hij aan een opleiding tot drukker en werd hij verliefd op het geschreven woord. De jonge Whitman las alles wat hij in handen kreeg, van Homerus, Dante en Shakespeare tot de bijbel. Hij werkte in New York als drukker, totdat een grote brand in het drukkersdistrict de hele bedrijfstak in de as legde. In 1836 (hij was toen 17) begon hij een nieuwe carrière als onderwijzer op Long Island. Vijf jaar later werd hij fulltime journalist en richtte hij het weekblad Long-Islander op. Later werkte hij nog als redacteur bij een aantal kranten in Brooklyn en New York. In 1848, verruilde Whitman de Daily Eagle in Brooklyn voor de Crescent in New Orleans. Op de slavenmarkten in die stad ervoer hij uit de eerste hand de verschrikkingen van de slavernij.

Terug in Brooklyn richtte hij in 1848 de Brooklyn Freeman op, een linkse krant die tegen uitbreiding van de slavernij pleitte, en begon hij serieus te dichten. In 1855 verscheen de eerste editie van Leaves of Grass, een serie van 12 gedichten zonder titel en een inleiding. Whitman gaf de bundel in eigen beheer uit en stuurde een exemplaar aan de invloedrijke filosoof en dichter Ralph Waldo Emerson, die de bundel met groot enthousiasme ontving. Whitman bleef aan de gedichten werken en publiceerde later nog verschillende edities van het boek.

Toen de Amerikaanse burgeroorlog uitbrak, besloot Whitman een "gelouterd" leven te gaan leiden. Hij werkte als freelance journalist en schreef gepassioneerd over de gruwelen van de oorlog. Ook zijn eigen broer was in 1862 gewond geraakt en Whitman besloot naar Washington te gaan om in de ziekenhuizen te werken. Hij bleef 11 jaar in de hoofdstad en kreeg een baan op het ministerie van Binnenlandse Zaken, totdat de minister (James Harlan) erachter kwam dat hij de auteur van Leaves of Grass was. De minister vond de gedichten "aanstootgevend" en Whitman werd op staande voet ontslagen.

Ondanks zijn grote financiële problemen gaf Whitman al het geld dat hij overhield uit aan medicijnen voor de patiënten die hij verzorgde. Bovendien onderhield hij zijn moeder, die weduwe was geworden, en zijn invalide broer. Hij ontving regelmatig giften van schrijvers, zowel in Amerika als in Engeland, om in zijn eigen onderhoud te kunnen voorzien.

In de jaren '70 vestigde Whitman zich bij zijn broer in Camden. Door een hersenbloeding was hij niet meer in staat om terug te gaan naar Washington. Hij bleef bij zijn broer, totdat een nieuwe editie van Leaves of Grass in 1882 eindelijk genoeg opleverde om een huis te kunnen kopen. De rest van zijn leven besteedde hij aan het voortdurend uitbreiden en verbeteren van zijn boek en werkte hij aan zijn laatste bundel met proza en poëzie, Good-Bye, My Fancy, die in 1891 verscheen. Na zijn dood op 26 maart 1892 werd Whitman begraven in een door hem zelf ontworpen en gebouwde graftombe op Harleigh Cemetery.

 

 


Rudolf George Escher
werd op 8 januari 1912 in Amsterdam geboren als zoon van de geoloog en mineraloog Berend George Escher en de Zwitserse Emma Brosy. Zijn vader zou later hoogleraar in Leiden worden. Met de graficus M.C. Escher, een halfbroer van zijn vader, deelt Rudolf
Escher nu een postume roem, maar wanneer het over zaken als muziek en beeldende kunst ging verschilden de twee Eschers diepgaand van inzicht.

Van zijn vierde tot zijn negende jaar woonde Rudolf Escher met zijn ouders in Batavia, waar de tropische natuur en het pianospel van zijn vader in werken van Bach, Beethoven, Brahms en Debussy een onuitwisbare indruk op hem maakten. Het was ook daar, dat hij van zijn vader de eerste pianolessen kreeg.

In 1922 vestigde de familie zich in Leiden en zette de jonge Escher zijn piano-onderricht voort bij mevrouw Bé Hartz. Na vier jaar gymnasium besloot hij zijn schoolopleiding af te breken en zich voortaan geheel aan de muziek te wijden, met name aan componeren. Ter voorbereiding op een conservatoriumopleiding in Keulen begon hij op advies van Peter van Anrooy serieus piano te studeren; daarnaast ontving hij viool- en harmonielessen. In plaats van naar Keulen ging hij in 1931 echter naar het Toonkunst-Conservatorium in Rotterdam, waar hij aanvankelijk hoofdvak piano en bijvak cello studeerde. Nadat hij zich onder leiding van de strenge Rotterdamse organist J.H. Besselaar jr. ook vertrouwd had gemaakt met het contrapunt, dat later in zijn componeren een zo voorname rol zou spelen, was hij van 1934 tot 1937 compositieleerling van Willem Pijper.

In 1937 huwde hij met Beatrijs Jongert en tot het bombardement van 14 mei 1940, waarbij de meeste van zijn vroege composities verloren gingen, woonde hij in Rotterdam. Na de oorlogstijd, vrijwillig buiten het officiële muziekleven doorgebracht in Reeuwijk en Oegstgeest, vestigde Escher zich voor de rest van zijn leven in Amsterdam, waar hij behalve als

 componist werkzaam was als medewerker voor beeldende kunst en muziek bij De Groene Amsterdammer (1945/46) en als bestuurslid van De Nederlandsche Opera (1946/51), de Stichting Nederlandsche Muziekbelangen (1947/62) en de Nederlandse Vereniging 

voor Hedendaagse Muziek (1961/62). Gedurende de jaren 1959/61 verdiepte hij zich in Delft in de toonkunstfysica en werkte hij in studio's voor elektronische muziek in Delft en Utrecht.

Nadat hij het studiejaar 1960/61 al had gedoceerd aan het Amsterdams Conservatorium, was hij van 1964 tot 1977 wetenschappelijk hoofdmedewerker aan het Instituut voor Muziekwetenschap van de Rijksuniversiteit Utrecht met als leeropdracht 'Aspecten van de hedendaagse muziek'. In 1979 openbaarde zich de ongeneeslijke leverziekte waaraan hij in de nacht van 16 op 17 maart 1980 in De Koog (Texel) overleed.

Tot de onderscheidingen die Escher werden toegekend behoren de Muziekprijs van de Stad Amsterdam (1946, voor Musique pour l'esprit en deuil) en de Johan Wagenaarprijs voor zijn gehele oeuvre (1977).

Rudolf George Escher 
Songs of Love and Eternity

- Emily Dickinson

These are the days when birds come back

These are the days when birds come back,
A very few, a bird or two,
To take a backward look.
These are the days when skies put on
The old, old sophistries of June,?
A blue and gold mistake.
Oh, fraud that cannot cheat the bee
Almost thy plausibility
Induces my belief,
Till ranks of seeds their witness bear,
And softly through the altered air
Hurries a timid leaf!
Oh, sacrament of summer days,
Oh, last communion in the haze,
Permit a child to join,
Thy sacred emblems to partake,
Thy consecrated bread to break,
Taste thine immortal wine!

Wild nights

Wild nights! Wild nights!
Were I with thee,
Wild nights should be
Our luxury!
Futile the winds
To a heart in port, -
Done with the compass,
Done with the chart.
Rowing in Eden!
Ah! the sea!
Might I but moor
To-night in thee!

Heart, we will forget him

Heart, we will forget him
You and I, tonight.
You may forget the warmth he gave,
I will forget the light.
When you have done, pray tell me,
That I my thoughts may dim;
Haste! lest while you're lagging,
I may remember him!

The wind tapped like a tired man

The wind tapped like a tired man,
And like a host, "Come in,"
I boldly answered; entered then
My residence within
A rapid, footless guest,
To offer whom a chair
Were as impossible as hand
A sofa to the air.
No bone had he to bind him,
His speech was like the push
Of numerous humming-birds at once
From a superior bush.
His countenance a billow,
His fingers, if he pass,
Let go a music, as of tunes
Blown tremulous in glass.
He visited, still flitting;
Then, like a timid man,
Again he tapped - 't was flurriedly -
And I became alone.

To make a prairie

To make a prairie it takes a clover and one bee,?
One clover, and a bee,
And revery.
The revery alone will do
If bees are few.

 

 

 

 

Folke Rabe (geboren in Stockholm op 28 oktober 1935) begon zijn carrière als jazz-musicus (trombone) in de jaren '50. Hij speelde in dixieland- en swingbands, later ook in big bands onder leiding van Lulle Ellboj, Harry Arnold, Arne Domnerus en anderen. Tijdens zijn studie aan het Koninklijk Conservatorium van Stockholm begon Rabe zich steeds meer toe te leggen op het componeren. Hij kreeg les van o.a. György Ligeti en Witold Lutoslawski. Zijn werk is duidelijk beïnvloed door een aantal reizen in Europa, Noord- en Zuid-Amerika, China en India, maar ook door de Yoik-zangtraditie van de Scandinavische Sami (Lappen). Deze komt bijvoorbeeld sterk naar voren in zijn hoornconcert Nature, Herd and Relatives.

Naast werken voor koor en elektro-akoestische muziek legt Folke Rabe zich de laatste jaren met name toe op het schrijven voor koperensembles. Daarnaast is hij ook actief als bestuurder in het Zweedse muziekleven: sinds 1980 maakt hij deel uit van het bestuur van de Zweedse omroep, eerst als hoofdredacteur en programmacoördinator, de laatste jaren als redacteur van de muziekzender.

De composities van Rabe zijn in hoge mate experimenteel en vaak erg humoristisch. Zijn compositie voor vier trombones, uit 1962 (geschreven samen met Jan Bark en uitgevoerd door het "Culture Quartet" waarvan zij beiden deel uitmaken), geldt als hoogtepunt van de eigentijdse Zweedse muziek en als geslaagde poging om nieuwe technieken toe te passen, zowel wat het gebruik van de instrumenten als de benadering van het publiek betreft. Ook op het gebied van koorwerken neemt Rabe een vooraanstaande plaats in. Hierin gebruikt hij zeer uiteenlopende elementen, zoals spreekkoren, improvisaties, grafische notering en revolutionaire geluiden als boventonen en spraakklanken. Zijn bekendste werk is Rondes, dat door koren over de hele wereld is uitgevoerd.

Met de oprichting van de intermediagroep "New Culture Quartet" (1983-1997) hebben Rabe en zijn collega's opnieuw laten zien hoe belangrijk het is om in de kunst te komen tot combinaties van ernst en humor, van serieus bedoelde interpretaties met bizarre ideeën - al was het alleen maar om de luisteraar tot een onbevangen en onafhankelijke reactie te dwingen.

Folke Rabe (uit: to love)

when i have thought of you - E.E. Cummings

(& [AND], Sonnets-Actualities, II, 1925)

when i have thought of you somewhat too
much and am become perfectly and
simply Lustful....sense a gradual stir
of beginning muscle,and what it will do
to me before shutting....understand
i love you....feel your suddenly body reach
for me with a speed of white speech
(the simple instant of perfect hunger
Yes)
how beautifully swims
the fooling world in my huge blood,
cracking brains A swiftlyenormous light
-and furiously puzzling through,prismatic,whims,
the chattering self perceives with hysterical fright
a comic tadpole wriggling in delicious mud

may i feel said he - E.E. Cummings

(No Thanks, 16, 1935)

may i feel said he
(i'll squeal said she
just once said he)
it's fun said she
(may i touch said he
how much said she
a lot said he)
why not said she
(let's go said he
not too far said she
what's too far said he
where you are said she)
may i stay said he
(which way said she
like this said he
if you kiss said she
may i move said he
is it love said she)
if you're willing said he
(but you're killing said she
but it's life said he
but your wife said she
now said he)
ow said she
(tiptop said he
don't stop said she
oh no said he)
go slow said she
(cccome?said he
ummm said she)
you're divine!said he
(you are Mine said she)

i like my body when it is with your

- E.E. Cummings

(& [AND], Sonnets-Actualities, VII, 1925)

i like my body when it is with your
body. It is so quite a new thing.
Muscles better and nerves more.
i like your body. i like what it does,
i like its hows. i like to feel the spine
of your body and its bones,and the trembling
-firm-smooth ness and which i will
again and again and again
kiss, i like kissing this and that of you,
i like,slowly stroking the,shocking fuzz
of your electric fur,and what-is-it comes
over parting flesh....And eyes big love-crumbs,
and possibly i like the thrill
of under me you so quite new

when my love comes to see me 

- E.E. Cummings

(& [AND], Sonnets-Actualities, I, 1925)

when my love comes to see me it's
just a little like music,a
little more like curving colour(say
orange)
against silence,or darkness....

the coming of my love emits
a wonderful smell in my mind,
you should see when i turn to find
her how my least heart-beat becomes less.
And then all her beauty is a vise
whose stilling lips murder suddenly me,
but of my corpse the tool her smile makes something
suddenly luminous and precise

?and then we are I and She....

what is that the hurdy-gurdy's playing

 

E. E. Cummings

Edward Estlin Cummings werd in 1894 geboren in Cambridge, Massachusetts. Na zijn studie aan de Harvard University werkte Cummings tijdens de Eerste Wereldoorlog als ambulancechauffeur in Frankrijk, maar hij werd door de Franse autoriteiten in een kamp opgesloten vanwege zijn uitgesproken pacifistische opvattingen (een ervaring die hij heeft beschreven in zijn roman The Enormous Room). Na de oorlog woonde hij afwisselend in het landelijke Connecticut en Greenwich Village en bracht hij vele bezoeken aan Parijs.

Cummings' werk valt op door de radicale experimenten met vorm, interpunctie, spelling en syntaxis. Hierdoor ontstaat een nieuwe en zeer persoonlijke poëtische uitdrukkingskracht. Later in zijn carrière heeft Cummings vaak het verwijt gekregen dat hij zich niet verder ontwikkelde. Niettemin werd zijn werk erg populair (met name onder jongere lezers) vanwege zijn eenvoudig taalgebruik, zijn humor en het behandelen van onderwerpen als oorlog en seks. Toen hij in 1962 stierf, was hij de op één na meest gelezen dichter van de Verenigde Staten, na Robert Frost.

 

 

PAUZE

 

 

 

 

Elliott Carter

(New York, 11 december 1908) was al vroeg serieus in muziek geïnteresseerd en werd daarin gestimuleerd door de componist Charles Ives. Hij studeerde eerst op Harvard University bij Walter Piston en later drie jaar lang bij Nadia Boulanger in Parijs. Na terugkomst in New York besloot hij zich volledig toe te leggen op componeren en lesgeven.

Carter geldt als een van de belangrijkste vernieuwers van de 20e-eeuwse muziek, vooral vanwege zijn experimenten met tempo en textuur. Zijn werk omvat o.a. Variations for
Orchestra
, Symphony of Three Orchestras en verschillende concerten en strijkkwartetten.

Elliott Carter heeft alle hoge onderscheidingen ontvangen die een componist ten deel kunnen vallen: de Gold Medal for Music van het National Institute of Arts and Letters, de National Medal of Arts, het lidmaatschap van de American Academy of Arts and Letters en de American Academy of Arts and Sciences, plus eredoctoraten van verschillende universiteiten. Ook is hij tweemaal onderscheiden met de Pulitzer-prijs. Ondanks zijn hoge leeftijd is hij op dit moment nog steeds actief als componist.

Elliot Carter - Heart not so Heavy as Mine

Heart not so heavy as mine - Emily Dickinson

Heart not so heavy as mine,
Wending late home,
As it passed my window
Whistled itself a tune, -
A careless snatch, a ballad,
A ditty of the street;
Yet to my irritated ear
An anodyne so sweet,
It was as if a bobolink,
Sauntering this way,
Carolled and mused and carolled,
Then bubbled slow away.
It was as if a chirping brook
Upon a toilsome way
Set bleeding feet to minuets
Without the knowing why.
To-morrow, night will come again,
Weary, perhaps, and sore.
Ah, bugle, by my window,
I pray you stroll once more!

 

Raymond Schroyens

(Mechelen, 14 maart 1933) behaalde in 1954 het laureaatsdiploma aan het Lemmens-instituut te Mechelen en in 1958 een eerste prijs orgel aan het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium te Antwerpen. Van 1958 tot 1960 verbleef hij als organist, kapelmeester en koordirigent in de Verenigde Staten, waar hij onder invloed van Ralf Kirkpatrick in de ban kwam van het klavecimbelspel. In 1964 studeerde hij klavecimbel en continuopraktijk bij Thurston Dart te Londen. Kort daarvoor stichtte hij het Concertino Jean Baptiste Loeillet, waarmee hij vooral barokmuziek uitvoerde volgens historische uitvoeringstechnieken. Sinds 1963 is hij verbonden aan de BRT, eerst als producer ernstige muziek, daarna als programmacoördinator en sinds 1981 als productieleider van BRT-3.

Onder invloed van de vernieuwde Duitse kooresthetiek schreef Raymond Schroyens verschillende volksliedbewerkingen en koorwerken. Zijn werk wordt gekenmerkt door een expressieve tekstverklanking, verwerkt in een verjongde koorstijl, met grote zelfstandigheid van elke stem. Zijn Battery for bells werd in 1970 bekroond in de Internationale Wedstrijd voor Beiaardcompositie te Mechelen.

Raymond Schroyens
(uit: Six Dickinson Miniatures)

Heart, we will forget him - Emily Dickinson

Heart, we will forget him
You and I, tonight.
You may forget the warmth he gave,
I will forget the light.
When you have done, pray tell me,
That I my thoughts may dim;
Haste! lest while you're lagging,
I may remember him!

Parting - Emily Dickinson

My life closed twice before its close;
It yet remains to see
If Immortality unveil
A third event to me,
So huge, so hopeless to conceive,
As these that twice befell.
Parting is all we know of heaven,
And all we need of hell.

Summer for thee - Emily Dickinson

Summer for thee grant I may be
When summer days are flown!
Thy music still when whippoorwill
And oriole are done!
For thee to bloom, I'll skip the tomb
And sow my blossoms o'er!
Pray gather me, Anemone,
Thy flower forevermore!

Emily Dickinson

Voor haar biografie, zie boven

 

 

Marius Flothuis werd op 30 oktober 1914 te Amsterdam geboren. Hij studeerde piano bij Bé Boef en Arend Koole en piano en theorie bij Hans Brandts Buys. Hij studeerde muziekwetenschap bij Albert Smijers en K. Ph. Bernet Kempers; bij laatstgenoemde promoveerde hij aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift Mozarts Bearbeitungen eigener und fremder Werke (1969).

Van 1937 tot 1942 was hij assistent van de artistieke leiding van het Concertgebouw, van 1946 tot 1950 bibliothecaris bij de Stichting Donemus, van 1945 tot 1953 muziekrecensent van Het Vrije Volk, van 1953 tot 1955 programmaredacteur van het Concertgebouworkest en van 1955 tot 1974 artistiek leider van dit orkest. Van 1974 tot 1982 was Flothuis hoogleraar in de muziekwetenschap aan de Rijksuniversiteit van Utrecht. Van 1980-1994 was hij voorzitter van het Zentralinstitut für Mozart-Forschung (Salzburg).

Als componist is Flothuis grotendeels autodidact. Hij schreef werken op elk gebied, behalve opera.

Flothuis ontving de volgende prijzen:

Prijs van de Northern California Harpists Association voor Sonata da camera, voor fluit en harp;
Prof. Van der Leeuw-prijs voor Kwartet, voor strijkers; Prijs van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen voor Symfonische Muziek; Visser-Neerlandiaprijs voor Capriccio voor strijkorkest en een Prijs van de Johan Wagenaar-stichting voor Hymnus op. 67.

Marius Flothuis (uit: Music for USC)

Central Park at Dusk - Sara Teasdale

Buildings above the leafless trees
Loom high as castles in a dream,
While one by one the lamps come out
To thread the twilight with a gleam.
There is no sign of leaf or bud,
A hush is over everything--
Silent as women wait for love,
The world is waiting for the spring.

Forgetfulness - Hart Crane (1918)

Forgetfulness is like a song
That, freed from beat and measure, wanders.
Forgetfulness is like a bird whose wings are reconciled,
Outspread and motionless,?
A bird that coasts the wind unwearyingly.
Forgetfulness is rain at night,
Or an old house in a forest,?or a child.
Forgetfulness is white,-white as a blasted tree,
And it may stun the sybil into prophecy,
Or bury the Gods.
I can remember much forgetfulness.

Dark Summer - Louise Bogan

Under the thunder-dark, the cicadas resound.
The storm in the sky mounts, but is not yet heard.
The shaft and the flash wait, but are not yet found.
The apples that hang and swell for the late comer,
The simple spell, the rite not for our word,
The kisses not for our mouths,-light the dark summer.

 

 

 

Sara Teasdale

Sara Trevor Teasdale werd in 1884 geboren in St. Louis, Missouri, in een deftig en godvrezend gezin. Al op jonge leeftijd maakte ze deel uit van de kring van dichters rond het tijdschrift Poetry. Haar eerste gedichten verschenen in 1907 onder de titel Sonnets to Duse, and Other Poems. De tweede bundel, Helen of Troy, and Other Poems, volgde in 1911 en de derde, Rivers to the Sea, in 1915.

In 1914 trouwde zij met Ernst Filsinger, na een hele serie huwelijkskandidaten te hebben afgewezen, onder wie de dichter Vachel Lindsay. Met haar echtgenoot verhuisde ze in 1916 naar New York City. In 1918 won ze de Columbia University Poetry Society Prize (wat later de Pulitzer-prijs voor poëzie zou worden) en de Poetry Society of America Prize voor haar in 1917 verschenen Love Songs. Daarna volgden nog drie bundels: Flame and Shadow (1920), Dark of the Moon (1926) en Stars To-night (1930). Kenmerkend voor het werk van Teasdale zijn de eenvoud en helderheid, het gebruik van klassieke vormschema's en de hartstochtelijke en romantische thematiek. Na haar scheiding in 1929 leidde zij een moeilijk bestaan, onder andere als gevolg van een zware longontsteking. Sara Teasdale maakte in 1933 een eind aan haar leven met een overdosis barbituraten. Datzelfde jaar verscheen haar laatste dichtbundel, Strange Victory, postuum.

Hart Crane

Hart Crane werd in 1899 geboren in Garrettsville, Ohio als zoon van een snoepfabrikant. Als tiener begon hij al met het schrijven van poëzie en hoewel hij nooit een middelbareschoolopleiding voltooide, las hij als jongeman het werk van alle grote dichters, zoals Shakespeare, Marlowe, Donne en de Franse 19e-eeuwse dichters Vildrac, Laforgue en Rimbaud. Ondanks tegenwerking van zijn vader, besloot Crane zijn passie voor de poëzie te volgen. In New York verkeerde hij in het gezelschap van belangrijke literaire figuren als Katherine Anne Porter, E.E. Cummings en Jean Toomer, maar blijvende vriendschappen werden onmogelijk gemaakt door zijn alcoholisme en instabiele karakter. Crane was een groot bewonderaar van T.S. Eliot en probeerde in zijn werk Europese invloeden te combineren met een speciaal soort Amerikaanse gevoeligheid, mede geïnspireerd door Walt Whitman. Zijn belangrijkste werk is het omvangrijke The Bridge, waarin hij in extatische termen zijn visie op het historische en spirituele belang van Amerika uiteenzet. Net als Eliot gebruikt hij het landschap van de moderne, geïndustrialiseerde stad in een poging een krachtige, nieuwe symbolische literatuur te scheppen. Hart Crane pleegde in 1932 op 33-jarige leeftijd zelfmoord door van het dek van een stoomschip af te springen dat hem vanuit Mexico naar New York zou terugbrengen.

 

 

Arne Mellnäs

(geboren in Stockholm op 30 augustus 1933) studeerde muziektheorie, piano, viool en directie aan het Staats-conservatorium in Stockholm. Zijn eerste compositielessen ontving hij van Erland von Koch (1954-55), later studeerde hij compositie bij Lars-Erik Larsson en Karl-Birger Blomdahl. In het begin van de jaren '60 volgde Mellnäs in Berlijn compositielessen bij Boris Blacher (Berlijn), Max Deutsch (Parijs) en György Ligeti (Wenen) en elektronische muziek bij Gottfried Michael Koenig (Bilthoven). Van 1963 tot 1986 gaf hij les aan het Staatsconservatorium in Stockholm (eerst muziektheorie, later orkestratie en compositie). Sinds 1986 werkt hij als onafhankelijk componist. Arne Mellnäs won in 1963 de eerste prijs in de compositiewedstrijd van de Stichting Gaudeamus voor zijn orkestwerk Collage.

Arne Mellnäs
dream - E.E. Cummings (73 Poems, 44, 1963)

now i lay(with everywhere around)me(the great dim deep soundof rain;and of always and of nowhere)and

what a gently welcoming darkestness?

now i lay me down(in a most steep

more than music)feeling that sunlight is

(life and day are)only loaned:whereas

night is given(night and death and the rain

are given;and given is how beautifully snow)

now i lay me down to dream of(nothing

i or any somebody or you

can begin to begin to imagine)

something which nobody may keep.

now i lay me down to dream of Spring

Arne Mellnäs dream

Mellnäs over Dream per coro a capella (1970): De poëzie van Cummings zit vol met verrassende zinswendingen en woordkeuzen, soms gecombineerd met bizarre typografische grillen (Cummings was ook graficus). "Dream" maakt deel uit van de verzameling "73 Poems" uit 1963 en vertoont alle kenmerken van een echte droom, met zijn herhalingen, toevallige invallen en plotselinge wendingen. Tegelijkertijd lijkt het geheel (zoals zo vaak in dromen) "logisch" en uitgebalanceerd. De tekst bevat, zowel wat constructie als inhoud betreft, zoveel muzikale "signalen", dat het proces van componeren vrijwel vanzelf verliep. De toonhoogte, harmonieën, dynamiek en compositietechnieken als herhalingen en verschillende gelijktijdige tekstniveaus (stukken tussen haakjes) zijn allemaal in het gedicht zelf terug te vinden.

 

 

 

Aan deze concerten werkten mee:

 Sopranen
Ingrid Appels
Judith Dijs
Pauline van der Meer
Christa Minderaa
Annemieke Rademaker
Claudia Sternberg

 Alten
Dorine Bernard
Annelies Korff de Gidts
Ida Los
Godelief Mallee
Marijke Tulp
Sanneke Verhagen

 Tenoren
Gabriël Hoezen
Theo Janson
Niek Nieuwenhuijsen
Paul van der Werf

 Bassen
Wim Bel
André Meijster
Andreas Polman
Herman Radstake
Ton Stauttener

 Dirigent
Nico van der Meel


Met dank aan:

Samenstelling programmaboek: Andreas Polman en Ton Stauttener


 

logo.gif (8656 bytes)

 

Postbus 70, 2300 AB Leiden; Postbank 5676811 t.n.v. William Byrd Vocaal Ensemble te Leiden, www.wbve.f2s.com